 |  |  | | MINISTERIE VAN BINNENLANDSE ZAKEN |  |  | | 9 OKTOBER 1997. Omzendbrief betreffende de toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen |
| Aan de Dames en Heren Burgemeesters van het Rijk, De bedoeling van deze omzendbrief is enige uitleg te verschaffen aangaande het opzet van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen alsmede aangaande de toepasselijke procedure. I. INLEIDING. A. Situering van het artikel Artikel 9 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, gewijzigd door de wet van 15 juli 1996 en door het koninklijk besluit van 13 juli 1992, bepaalt het volgende : « Om langer dan de in artikel 6 bepaalde termijn in het Rijk te mogen verblijven, moet de vreemdeling die zich niet in een der in artikel 10 voorziene gevallen bevindt, daartoe gemachtigd worden door de Minister (die de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onder zijn bevoegdheid heeft) of zijn gemachtigde. Behoudens de in een internationaal verdrag, in een wet of in een koninklijk besluit bepaalde afwijkingen, moet deze machtiging door de vreemdeling aangevraagd worden bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland. In buitengewone omstandigheden kan de machtiging door de vreemdeling worden aangevraagd bij de burgemeester van de plaats waar hij verblijft; deze zendt ze over aan de Minister of aan diens gemachtigde. In dat geval zal ze in België worden afgegeven. » Artikel 9, eerste lid, van de wet, voorziet dus in de algemene regel dat een vreemdeling die langer dan drie maanden in België wenst te verblijven, daartoe door de Minister of de Dienst Vreemdelingenzaken gemachtigd dient te worden. Het tweede en derde lid van artikel 9 van de wet bepaalt de procedure die gevolgd moet worden door de vreemdeling die een aanvraag voor een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk wil indienen. In principe moet iedere aanvraag voor een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk ingediend worden bij een Belgische diplomatieke of consulaire post in het land van herkomst of in het land waar de vreemdeling gemachtigd is tot verblijf (artikel 9, tweede lid). Op dit principe bestaan er twee uitzonderingen waarbij de aanvraag in België zelf kan worden ingediend : - wanneer een internationaal verdrag, een wet of een koninklijk besluit de vreemdeling toelaat om zijn aanvraag in België in te dienen (aanhef artikel 9, tweede lid). Dit is bijvoorbeeld het geval voor Zwitserse onderdanen die langer dan drie maanden in het Rijk willen verblijven met uitzondering van hen die naar België komen om er een winstgevende bedrijvigheid uit te oefenen (zie artikel 23, 3°, van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen); - wanneer er buitengewone omstandigheden zijn die het indienen van de aanvraag via de gewone procedure in het land van herkomst of in het land waar de vreemdeling gemachtigd is tot verblijf onmogelijk maken (artikel 9, derde lid). Artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 bevat dus niet meer dan een proceduremaatregel. B. Een bijzondere procedure gericht op het bekomen van een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk De bijzondere procedure van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 dient om een aanvraag voor een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden op het Belgisch grondgebied in te dienen. De aandacht dient erop gevestigd te worden dat de bijzondere procedure van artikel 9, derde lid, van de wet, moet onderscheiden worden van de onderstaande procedures. 1. Artikel 9, derde lid, kan niet gehanteerd worden als een rechtsmiddel tegen een verwijderingsmaatregel (1). Voor het instellen van een beroep tegen een verwijderingsmaatregel moeten de geëigende procedures worden gevolgd, zoals die zijn vastgelegd in de wet van 15 december 1980 (zoals bijv. het verzoek tot herziening vermeld in artikel 64 van de wet of het verzoek tot schorsing of tot nietigverklaring bij de Raad van State vermeld in de artikelen 69 en 70 van de wet). Een verzoek dat ingediend wordt op basis van artikel 9, derde lid, van de wet, dat in feite neerkomt op een beroep tegen een beslissing tot verwijdering van het grondgebied wordt per definitie onontvankelijk verklaard. 2. De procedure van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980, moet voorts niet opgestart worden indien men slechts een kort uitstel van de uitvoering van het bevel om het grondgebied te verlaten beoogt, bijvoorbeeld in geval van een kortstondige ziekte die het reizen onmogelijk maakt. In dit geval wenst men immers een verlenging van de termijn van het bevel om het grondgebied te verlaten te bekomen en geen machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk. Een kort uitstel van de uitvoering van de betrokken verwijderingsmaatregel moet per brief worden aangevraagd aan de Dienst Vreemdelingenzaken. Dit verzoek kan rechtstreeks gericht worden aan de Dienst Vreemdelingenzaken, hetzij per gewone brief hetzij via een aangetekend schrijven. Zulk een verzoek kan ook ingediend worden via de diensten van de gemeente waar de betrokkene zijn feitelijke verblijfplaats heeft. Het gemeentebestuur dient dit verzoek dan onverwijld aan de Dienst Vreemdelingenzaken over te maken. Zo'n verzoek is slechts ontvankelijk indien het de volgende elementen bevat : - vermelding van de reden die aan de grondslag ligt van het verzoek tot uitstel; - duidelijke vermelding van de feitelijke verblijfplaats; - toevoeging van een ondertekende en gedagtekende verbintenis tot vrijwillig vertrek, waarin alle betrokken personen zich er uitdrukkelijk toe verbinden om het land te verlaten voor het einde van de termijn die zal worden toegekend (zie model gevoegd bij deze omzendbrief). 3. De procedure van artikel 9, derde lid, van de wet moet ten derde onderscheiden worden van de regeling inzake vreemdelingen die om bijzondere redenen en duidelijk onafhankelijk van hun wil voorlopig geen gevolg kunnen geven aan een bevel om het grondgebied te verlaten dat ten opzichte van hen getroffen werd in het kader van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Deze materie maakt het voorwerp uit van een aparte omzendbrief. II. Ontvankelijkheid van de aanvraag gebaseerd op artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 Opdat de aanvraag ontvankelijk verklaard zou worden door de Dienst Vreemdelingenzaken : - dient men gegevens van algemene aard over te maken (zie infra punt IV, A); - dient de aanvraag formeel gezien een dubbele motivering te bevatten : 1° ten eerste moeten in de aanvraag de redenen tot uiting komen waarom de betrokkene de aanvraag niet kan indienen via de gewone procedure (dus via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland). Wat dit aspect betreft worden slechts uitzonderlijke omstandigheden aanvaard (zie infra); 2° ten tweede moeten in de aanvraag de redenen tot uiting komen waarom de betrokkene een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden in België wenst te bekomen. Dit tweede aspect wordt ten gronde slechts onderzocht, voorzover er een positieve beslissing werd genomen in verband met het eerste aspect, dus voorzover de uitzonderlijke omstandigheden die werden ingeroepen voor het volgen van de procedure voorzien bij artikel 9, derde lid, van de wet, werden aanvaard (zie infra punt III). - dienen uitzonderlijke omstandigheden aanwezig te zijn die ertoe leiden dat de betrokkene de aanvraag niet kan indienen via de gewone procedure (dus via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland). Gelet op het uitzonderlijk karakter van de procedure, zal een aanvraag op grond van artikel 9, derde lid, van de wet, dus slechts in buitengewone omstandigheden worden aanvaard. Of er uitzonderlijke omstandigheden zijn die ertoe leiden dat de normale procedure van artikel 9, tweede lid, van de wet, niet kan gevolgd worden, wordt geval per geval onderzocht. Indien er geen uitzonderlijke omstandigheden aanwezig zijn, wordt de aanvraag onontvankelijk verklaard door de Dienst Vreemdelingenzaken. De betrokkene moet aantonen dat het onmogelijk of bijzonder moeilijk is om terug te keren naar zijn land van herkomst of naar een land waar hij tot verblijf is toegelaten, om de betrokken machtiging aan te vragen (bijvoorbeeld omwille van oorlogsomstandigheden of een ernstige ziekte). Voor wat betreft een vreemdeling wiens asielaanvraag nog hangende is, kan de aanwezigheid van buitengewone omstandigheden slechts beoordeeld worden nadat er een uitvoerbare beslissing is getroffen over zijn asielaanvraag. Bijgevolg zal de aanvraag die door de asielzoeker wordt ingediend op grond van artikel 9, derde lid, onontvankelijk verklaard worden, zolang er geen uitvoerbare beslissing over diens asielaanvraag getroffen werd. Een illegaal verblijf, zelfs van lange duur, of het feit van geïntegreerd te zijn in de Belgische samenleving vormt op zich geen buitengewone omstandigheid die het indienen van een aanvraag tot het bekomen van een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk volgens de procedure van artikel 9, derde lid, van de wet, zou rechtvaardigen. Voor wat betreft de vreemdeling die op een legale en regelmatige wijze (1) in het Rijk verblijft voor een periode van ten hoogste drie maanden (bijv. als toerist) en voor de afloop van de verblijfsduur een aanvraag indient om gemachtigd te worden tot een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk, wordt de aanwezigheid van buitengewone omstandigheden evenwel vermoed wanneer zijn aanvraag alle elementen bevat die toelaten te besluiten tot de gegrondheid ervan. Iemand die bijvoorbeeld tijdens zijn regelmatig en legaal kort verblijf een arbeidskaart bekomt (de loutere aanvraag voldoet niet) of een attest van inschrijving aan een onderwijsinstelling bedoeld in artikel 59 van de wet van 15 december 1980 (en daarbij voldoet aan alle andere aan het verblijf van een student gestelde voorwaarden), kan de aanvraag indienen op grond van artikel 9, derde lid, of artikel 58, derde lid, van de wet van 15 december 1980, zonder dat daarbij buitengewone omstandigheden dienen aangeduid te worden. Tenslotte dient erop gewezen te worden dat indien een vreemdeling reeds gemachtigd is tot een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk, dit voor een beperkte duur (bijv. voor de duur van de studies), en een machtiging tot een verblijf van meer dan drie maanden wenst te verkrijgen in een ander kader (bijv. als werknemer voor de duur van de arbeidskaart), hij voor de afloop van de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning onder de in de vorige paragraaf vermelde voorwaarden een aanvraag tot statuutswijziging kan indienen op grond van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 via de burgemeester van de gemeente waar hij ingeschreven is in het vreemdelingenregister. III. Omstandigheden die op zich aanleiding geven tot de ongegrondheid van de aanvraag gebaseerd op artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 Eenmaal de aanvraag tot het bekomen van een machtiging tot verblijf op grond van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980, overgemaakt werd met de noodzakelijke gegevens en de aanvraag ingevolge de aanwezigheid van uitzonderlijke omstandigheden ontvankelijk bevonden werd, zal de Dienst Vreemdelingenzaken nagaan of de redenen die de betrokkene aanhaalt om een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden in België te bekomen, gegrond zijn. Bepaalde omstandigheden zullen echter op zich aanleiding geven tot de ongegrondheid van de aanvraag. Zo wordt de aanvraag tot verkrijging van een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk in elk geval afgewezen : - wanneer de betrokkene als een gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid kan worden beschouwd; - wanneer de betrokkene onder welke vorm dan ook fraude of bedrog heeft gepleegd (bijvoorbeeld in kader van de asielprocedure) of wanneer de betrokkene technieken of kunstgrepen heeft gebruikt om zijn verblijf te verlengen. IV. De procedure. A. Het indienen van de aanvraag in het kader van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 De aanvraag moet door de vreemdeling worden ingediend bij de burgemeester van de gemeente waar hij zijn feitelijke verblijfplaats heeft. Het heeft geen zin dat de vreemdeling een kopie van dit schrijven aan de Dienst Vreemdelingenzaken overmaakt, omdat die stukken per kerende post zullen worden teruggezonden. Opdat de aanvraag ontvankelijk zou zijn dient zij te bevatten : - het dossiernummer bij de Dienst Vreemdelingenzaken (het vroegere Openbaar Veiligheidsnummer) (zo mogelijk); - alle relevante gegevens aangaande de betrokkene (naam, voornaam, geboorteplaats, geboortedatum, burgerlijke stand) met een kopie van de vereiste identiteits- en reisdocumenten (het paspoort met desgevallend het visum); - een uiteenzetting van alle redenen die ertoe leiden dat de aanvraag in België wordt ingediend en niet via de bevoegde consulaire of diplomatieke post kon of kan worden ingediend; - de vermelding van de feitelijke verblijfplaats van de betrokkene; - een overzicht van de familiale situatie; - een uiteenzetting van de redenen waarom de betrokkenen meer dan drie maanden in België wensen te blijven; - zo mogelijk ook stukken die de hierboven vermelde beweringen staven. Bijkomende stukken kunnen door de vreemdeling later steeds rechtstreeks aan de Dienst Vreemdelingenzaken worden overgemaakt. B. Rol van het gemeentebestuur Binnen een termijn van tien dagen na het indienen van de aanvraag dient er overgegaan te worden tot een controle van de feitelijke verblijfplaats van de betrokkene door de burgemeester of zijn gemachtigde. Na controle van de feitelijke verblijfplaats wordt aan de betrokkene een bewijs van inontvangstname van de aanvraag (zie model gevoegd bij deze omzendbrief) door de burgemeester of zijn gemachtigde overhandigd. Het overhandigen van dit bewijs opent geen enkel recht op verblijf. De aanvraag dient door de gemeente, na het uitoefenen van de controle inzake de feitelijke verblijfplaats, onverwijld te worden overgemaakt aan de Dienst Vreemdelingenzaken, bureau R [voor (afgewezen) asielzoekers] en bureau A (voor de andere vreemdelingen), North Gate II, E. Jacqmainlaan 152, 1000 Brussel. Indien de betrokkene niet woonachtig is op de opgegeven feitelijke woonplaats, dient dit bij het overmaken van de aanvraag uitdrukkelijk vermeld te worden. Het staat de burgemeester of diens gemachtigde vrij om bij het overhandigen van de aanvraag een advies (bijv. een sociaal onderzoek) toe te voegen, aangevuld met eventuele opmerkingen aangaande de beweringen van betrokkene. De gemeente dient voorts de feitelijke verblijfplaats van de betrokken vreemdeling regelmatig te controleren en elke wijziging onverwijld door te geven aan de Dienst Vreemdelingenzaken. De aandacht dient erop gevestigd te worden dat het enkel de Minister of diens gemachtigde is die beslissingsrecht heeft over de betrokken aanvraag. De gemeenten hoeven zich dus niet uit te spreken over de inhoud van de voorgelegde bewijzen. Indien de Dienst Vreemdelingenzaken aan de gemeente instructies geeft om een bevel om het grondgebied te verlaten af te geven en de gemeente vaststelt dat de betrokkene een aanvraag in het kader van artikel 9, derde lid, van de wet, ingediend heeft die dateert vóór de hogervermelde beslissing (maar die nog niet of vrij recent overgemaakt werd aan de Dienst Vreemdelingenzaken), dient de gemeente het bevel om het grondgebied te verlaten niet te betekenen, maar onverwijld de Dienst Vreemdelingenzaken op de hoogte te brengen van het indienen van de aanvraag in het kader van artikel 9, derde lid, opdat deze onmiddellijk onderzocht kan worden. C. Gevolgen van het indienen van de aanvraag in het kader van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 Het indienen van een aanvraag tot verkrijging van een machtiging tot verblijf conform de procedure vastgelegd in artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 schorst een getroffen verwijderingsmaatregel niet en heeft geen enkel gevolg voor de verblijfsstatus van de betrokkene. Dit betekent dat een verwijderingsmaatregel die genomen werd vóór het indienen van de aanvraag op basis van artikel 9, derde lid, van de wet, blijft gelden en kan worden uitgevoerd door een gedwongen verwijdering. De eerder getroffen verwijderingsmaatregel wordt dus niet opgeschort door het indienen van een aanvraag tot verkrijging van een verblijfsvergunning op basis van artikel 9, derde lid, van de wet. Dit betekent ook dat een illegale vreemdeling op een onwettige wijze op het grondgebied blijft verblijven totdat er door de Dienst Vreemdelingenzaken een positieve beslissing aangaande zijn aanvraag werd genomen. In afwachting van deze beslissing kan de betrokkene, zoals elke andere illegale vreemdeling, op elk ogenblik worden opgepakt en vastgehouden met het oog op zijn gedwongen verwijdering van het Belgisch grondgebied. D. Beslissing aangaande de aanvraag gebaseerd op artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 De aanvraag wordt beoordeeld op basis van het dossier dat aan de Dienst Vreemdelingenzaken wordt overgemaakt. Zo nodig zal de Dienst Vreemdelingenzaken de gemeente of de betrokkene uitnodigen om bijkomende informatie te bezorgen. Voor de beoordeling van de aanvraag is het niet nodig dat de betrokkene of zijn raadsman de aanvraag mondeling komen toelichten op de Dienst Vreemdelingenzaken of er worden gehoord. Verzoeken in die zin zullen in beginsel worden afgewezen. Bijkomende inlichtingen kunnen steeds per brief of per faxbericht worden overgemaakt aan de Dienst Vreemdelingenzaken. De aanvragen zullen zo snel mogelijk worden onderzocht. Principieel zal de Dienst Vreemdelingenzaken beslissen binnen een periode van drie maanden na het doorzenden van het dossier door de burgemeester of zijn gemachtigde. Indien de betrokkene via de gemeente uitzonderlijk binnen die termijn geen antwoord heeft ontvangen, kan hij per brief naar de stand van zaken vragen. In antwoord op dit schrijven zal de Dienst Vreemdelingenzaken binnen de vijftien werkdagen een beslissing nemen of een stand van zaken meedelen. De Dienst Vreemdelingenzaken kan drie soorten beslissingen treffen : - de aanvraag is onontvankelijk, hetzij omdat het dossier niet de noodzakelijke gegevens bevat, hetzij omdat er geen uitzonderlijke omstandigheden aanwezig zijn die de procedure van artikel 9, derde lid, van de wet, rechtvaardigen; - de aanvraag is ontvankelijk doch ongegrond : het dossier bevat de noodzakelijke gegevens, er zijn uitzonderlijke omstandigheden aanwezig die de procedure van artikel 9, derde lid, van de wet, rechtvaardigen, maar er is sprake van fraude of een gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid of de redenen die aangehaald werden voor het bekomen van een machtiging tot voorlopig verblijf in het Rijk, zijn niet gegrond; - de aanvraag is ontvankelijk en gegrond : het dossier bevat de noodzakelijke gegevens, er zijn uitzonderlijke omstandigheden aanwezig die de procedure van artikel 9, derde lid, van de wet, rechtvaardigen, en er is geen sprake van fraude of een gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid en de redenen die aangehaald werden voor het bekomen van een machtiging tot voorlopig verblijf in het Rijk, zijn gegrond. De door de Dienst Vreemdelingenzaken getroffen gemotiveerde beslissing zal steeds schriftelijk overgemaakt worden aan de burgemeester van de gemeente waar de betrokkene zijn feitelijke verblijfplaats heeft (of, in voorkomend geval, ingeschreven is in het vreemdelingenregister). Deze beslissing zal de nodige instructies bevatten. E. Beroepsmogelijkheden Er kan geen bijzonder beroep ingediend worden tegen de door de Dienst Vreemdelingenzaken getroffen beslissing. Overeenkomstig de artikelen 14 en 17 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tegen de beslissing een beroep tot schorsing en tot nietigverklaring bij de Raad van State worden ingediend. Dit beroep heeft geen schorsende werking. Elke inlichting betreffende het onderwerp van deze omzendbrief kan bij de Dienst Vreemdelingenzaken bekomen worden (tel. : 02/205.54.11) : - voor de individuele gevallen : bureau RN [voor de (afgewezen) asielzoekers], bureau SN (voor de studenten) of bureau AN (voor de andere vreemdelingen); - voor elke vraag van juridische aard : het studiebureau. Brussel, 9 oktober 1997. De Minister van Binnenlandse Zaken, J. Vande Lanotte KONINKRIJK BELGIE Provincie : Arrondissement : GEMEENTE : Ref. : VERBINTENIS TOT VRIJWILLIG VERTREK De vreemdeling . . . . . (naam en voornamen), geboren te . . . . . op (in) . . . . . , van . . . . . nationaliteit, zich ophoudende in de gemeente . . . . . verbindt zich ertoe vrijwillig en zo snel mogelijk België te verlaten van zodra daartoe een mogelijkheid bestaat of van zodra de reden die aanleiding gaf tot de verlenging van de termijn vermeld in het bevel om het grondgebied te verlaten is weggevallen / (1) voordat de termijn van kort uitstel van de uitvoering van het bevel om het grondgebied te verlaten verstreken is, om : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Deze verklaring geldt ook voor de echtgeno(o)t(e) en de volgende leden van het gezin : 1. . . . . . , geboren op . . . . . 2. . . . . . , geboren op . . . . . 3. . . . . . , geboren op . . . . . 4. . . . . . , geboren op . . . . . Betrokkene verbindt zich tot een volledige medewerking voor de organisatie van zijn vertrek t.o.z. van niet-gouvernementele organisaties en overheidsinstanties. Opgemaakt te . . . . . op . . . . . Handtekening van de vreemdeling, Handtekening van de burgemeester of zijn gemachtigde, STEMPEL (1) Schrappen wat niet past. KONINKRIJK BELGIE Provincie : Arrondissement : GEMEENTE : Ref. : ATTEST VAN INONTVANGSTNAME Van een aanvraag in het kader van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, gewijzigd door de wet van 15 juli 1996 en het koninklijk besluit van 13 juli 1992. De vreemdeling . . . . . (naam en voornamen), van . . . . . nationaliteit, geboren te . . . . . , op (in) . . . . . zich ophoudende in de gemeente . . . . . heeft zich heden bij het gemeentebestuur aangemeld om met toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, een aanvraag tot het bekomen van een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk in te dienen. Dit attest is geen verblijfsdocument, Opgemaakt te . . . . . , op . . . . . Handtekening van de vreemdeling, Handtekening van de burgemeester of zijn gemachtigde, STEMPEL Voor de raadpleging van de voetnoot, zie beeld
begin (#top) Publicatie : 1997-11-14
|
|
|
|
Een dienst aangeboden door
 |
|