<febmaart 2004apr>
madiwodovrzazo
01
02
03
04
05
06
07
08
09
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
    
Publicatie (pdf) van
dinsdag 9 maart 2004
Printversie.
ARBITRAGEHOF
Uittreksel uit arrest nr. 3/2004 van 14 januari 2004
Rolnummer 2579
In zake : de prejudiciėle vraag betreffende de wet van 7 augustus 1986 houdende goedkeuring van de Europese Akte opgemaakt te Luxemburg op 17 februari 1986 en te Den Haag op 28 februari 1986, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel.
Het Arbitragehof,
samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters L. Franēois, P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman en E. Derycke, bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior,
wijst na beraad het volgende arrest :
I. Onderwerp van de prejudiciėle vraag en rechtspleging
Bij vonnis van 29 november 2002 in zake de n.v. Ziegler tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 6 december 2002, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciėle vraag gesteld :
« Vormt de wet houdende goedkeuring van de Europese Akte een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij niet voorziet in het beginsel van een schadevergoeding voor de douaneagenten en douanecommissionairs, voor het verlies van hun activiteit in verband met de intracommunautaire handel ? »
(...)
III. In rechte
(...)
B.1. Het Hof wordt ondervraagd over de bestaanbaarheid met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet van de wet van 7 augustus 1986 houdende goedkeuring van de Europese Akte opgemaakt te Luxemburg op 17 februari 1986 en te Den Haag op 28 februari 1986. De Ministerraad vraagt welk gevolg de wijziging van artikel 26 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof bij de bijzondere wet van 9 maart 2003 heeft voor de bevoegdheid van het Hof.
B.2.1. Artikel 26, § 1, van de bijzondere wet op het Arbitragehof bepaalde :
« § 1. Het Arbitragehof doet, bij wijze van prejudiciėle beslissing, uitspraak bij wege van arrest op vragen omtrent :
1ode schending door een wet, een decreet of een in artikel 26bis [thans artikel 134] van de Grondwet bedoelde regel van de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten;
2oonverminderd 1o, elk conflict tussen decreten of tussen regels bedoeld in artikel 26bis [thans artikel 134] van de Grondwet, die uitgaan van verschillende wetgevers en voor zover het conflict ontstaan is uit hun onderscheiden werkingssfeer;
3ode schending door een wet, een decreet of een in artikel 26bis [thans artikel 134] van de Grondwet bedoelde regel van de artikelen 6, 6bis en 17 [thans de artikelen 10, 11 en 24] van de Grondwet. »
B.2.2. De bijzondere wet van 9 maart 2003 tot wijziging van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 11 april 2003 en in werking getreden op 21 april 2003, heeft in het voormelde artikel 26 een paragraaf 1bis ingevoegd, die bepaalt :
« Van het toepassingsgebied van dit artikel worden uitgesloten de wetten, de decreten en de in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regels waardoor een constituerend verdrag betreffende de Europese Unie of het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden of een Aanvullend Protocol bij dit Verdrag instemming verkrijgt. »
B.3. Bij die bepaling heeft de bijzondere wetgever aan het Hof de bevoegdheid onttrokken om, op prejudiciėle vraag, uitspraak te doen over de wetten waardoor de voormelde verdragen instemming verkrijgen. De bijzondere wetgever heeft zich niet ertoe beperkt een bevoegdheid te herverdelen of een rechtspleging te wijzigen. Hij heeft gewild dat « enige bevoegdheid ter zake [andere dan het beroep tot vernietiging] van andere rechtsprekende instanties is uitgesloten » teneinde « de zekerheid en de stabiliteit van de internationale betrekkingen » te garanderen (Parl. St., Senaat, 2000-2001, nr. 2-897/1, p. 8).
B.4. Die ondubbelzinnige wil van de bijzondere wetgever ontneemt het Hof elke bevoegdheid om de prejudiciėle vraag te beantwoorden, ook al werd die vraag aan het Hof gesteld vóór de inwerkingtreding van de bijzondere wet van 9 maart 2003.
B.5. Bovendien heeft de bijzondere wetgever, doordat hij de bevoegdheid van het Hof ten aanzien van de in het voormelde artikel 26, § 1bis, bedoelde verdragen heeft afgeschaft, teneinde « [te vermijden] dat het vertrouwen ten aanzien van de andere verdragsluitende partijen aan het wankelen zou kunnen worden gebracht als gevolg van een latere beslissing van het Arbitragehof » (ibid. ), rechtsbeginselen willen doen gelden die niet verenigbaar zijn met de regel, vervat in artikel 3 van het Gerechtelijk Wetboek, volgens welke een gerecht waarbij op geldige wijze een zaak aanhangig is gemaakt die zaak niet uit handen geeft, zelfs indien een wet dat gerecht de bevoegdheid ontneemt om ervan kennis te nemen.
Om die redenen,
het Hof
stelt vast dat het onbevoegd is om de prejudiciėle vraag te beantwoorden.
Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 14 januari 2004.
De griffier,
L. Potoms.
De voorzitter,
M. Melchior.


begin (#top) Publicatie : 2004-03-09