<janfebruari 2005mrt>
madiwodovrzazo
 
01
02
03
04
05
06
07
08
09
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
      
Publicatie (pdf) van
woensdag 9 februari 2005
Printversie.
ARBITRAGEHOF
Bericht voorgeschreven bij artikel 74 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof
Bij vonnis van 13 december 2004 in zake N. El Bkakla tegen het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Sint-Jans-Molenbeek, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 20 december 2004, heeft de Arbeidsrechtbank te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld :
1. « Veroorzaakt de beperking van de maatschappelijke dienstverlening tot de enkele dringende medische hulp aan de vreemdelingen met illegaal verblijf, waarin artikel 57, § 2, 1°, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn voorziet, een discriminatie die strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 22, 23 en 191 ervan, met de artikelen 2, 3, 24, 26 en 27 van het Verdrag van 20 november 1989 inzake de rechten van het kind en met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, in zoverre de toepassing van de voormelde wetsbepaling, om reden van de onwettigheid van haar verblijf, op de moeder van een zwaar gehandicapt minderjarig kind - terwijl die medische toestand voor dat kind een absolute onmogelijkheid vormt om naar zijn land van oorsprong terug te keren - tot gevolg zou hebben dat vreemdelingen met onwettig verblijf die zich in fundamenteel verschillende situaties bevinden op identieke wijze worden behandeld, naargelang zij al dan niet een zwaar gehandicapt minderjarig kind ten laste hebben ? »
2. « Veroorzaakt de interpretatie van artikel 57, § 2, 1°, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, die erin bestaat te oordelen dat een absolute onmogelijkheid van terugkeer om medische redenen, volgens de daarvan gegeven definitie in het arrest nr. 80/99 van 30 juni 1999 van het Arbitragehof, gegrond moet zijn op persoonlijke motieven van de aanvrager van de dienstverlening, in de hiervoor beschreven situatie een discriminatie die strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de voormelde grondwettelijke en supranationale bepalingen - waaronder in het bijzonder artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, waarin het recht op persoonlijke en familiale relaties wordt gewaarborgd - in zoverre die interpretatie tot gevolg zou hebben dat personen die tot één gezin behoren en zich in een identieke situatie bevinden verschillend worden behandeld, om reden dat in het eerste geval de aanvrager zelf van de dienstverlening zwaar gehandicapt is en in het tweede geval één van de minderjarige kinderen te zijnen laste dat is ? »
Die zaak is ingeschreven onder nummer 3206 van de rol van het Hof.
De griffier,
P.-Y. Dutilleux.


begin (#top) Publicatie : 2005-02-09