<janfebruari 2005mrt>
madiwodovrzazo
 
01
02
03
04
05
06
07
08
09
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
      
Publicatie (pdf) van
woensdag 16 februari 2005
Printversie.
MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP
Toekennen van een eenmalige impulsfinanciering aan de Vlaamse universiteiten voor de aankoop van zware apparatuur voor strategisch basisonderzoek ten laste van het FFEU 2004
Bij besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 2004 wordt het volgende bepaald :
Artikel 1. Aan de Vlaamse universiteiten wordt een eenmalige investeringssubsidie ten belope van maximaal 14.277.683 euro verleend voor de aankoop van zware apparatuur voor strategisch basisonderzoek. De subsidie wordt als volgt verdeeld :
- Katholieke Universiteit Leuven : maximaal 6.376.413 euro;
- Limburgs Universitair centrum : maximaal 294.120 euro;
- Universiteit Antwerpen : maximaal 1.579.112 euro;
- Universiteit Gent : maximaal 4.381.821 euro;
- Vrije Universiteit Brussel : maximaal 1.646.217 euro.
Art. 2. § 1. De in artikel 1 bedoelde impulsfinanciering kan uitsluitend gebruikt worden voor de aankoop van zware onderzoeksapparatuur, waarbij de apparatuur ook kan bestaan uit een combinatie van apparatuur en huisvesting die voor eenzelfde onderzoeksfinaliteit worden gebruikt. De apparatuur dient te worden ingezet voor strategisch basisonderzoek, en waar relevant ook voor fundamentele onderzoeksdoeleinden.
§ 2. De impulsfinanciering wordt aangewend voor de prioritair geangschikte voorstellen, waarvan de lijst is opgenomen in bijlage bij dit besluit (nrs. F1 t.e.m. F11).
§ 3. Indien de in artikel 1 genoemd impulsfinanciering de totale kostprijs van de prioritair gerangschikte voorstellen overschrijdt, kan de betrokken instelling het overschot aanwenden voor de financiering van één of meerdere reserveproject(en), waarvan de lijst is opgenomen in bijlage bij dit besluit (nrs. R1 en R2). Hierbij geldt eveneens dat eventuele tekorten moeten worden bijgepast.
§ 5. De impulsfinanciering kan niet worden gebruikt voor het dekken van de personeels-, onderhouds- en werkingskosten, verbonden aan de bediening van de gefinancierde apparatuur. De universiteiten kunnen evenmin overheadkosten aanrekenen.
Art. 3. De in artikel 1 vermelde middelen worden door de Vlaamse Gemeenschap aan de universiteiten ter beschikking gesteld uit het Financieringsfonds voor Schuldafbouw en Eenmalige Investeringsuitgaven, conform het decreet van 7 mei 2004 houdende aanpassing van de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2004, inzonderheid het artikel 17 van dit decreet.
Art. 4. Voor de uitbetaling van de in artikel 1 van dit besluit vermelde middelen zal de volgende procedure worden gevolgd :
- een jaarlijks voorschot ten bedrage van telkens 25 % van het in artikel 1 vermelde bedrag zal uiterlijk op 31 maart worden uitbetaald volgens het volgende schema, en dit voor het eerst voor 31 maart 2005 :
- Katholieke Universiteit Leuven : 1.594.103,25 euro;
- Limburgs Universitair centrum : 73.530 euro;
- Universiteit Antwerpen : 394.778 euro;
- Universiteit Gent : 1.095.455,25 euro;
- Vrije Universiteit Brussel : 411.554,25 euro.
- een saldo ten bedrage van maximaal 25 % van het in artikel 1 vermelde bedrag zal in 2008 worden uitbetaald na voorlegging van de financiële verantwoordingsstukken voor de aankoop van de apparatuur, na formele staving van een eventuele co-financiering (zoals bedoeld in artikel 2, § 3 en § 4) en na formele goedkeuring van deze stukken door de administratie Wetenschap en Innovatie, afdeing Technologie en Innovatie. Het maximale saldo per universiteit bedraagt :
- Katholieke Universiteit Leuven : 1.594.103,25 euro;
- Limburgs Universitair centrum : 73.530 euro;
- Universiteit Antwerpen : 394.778 euro;
- Universiteit Gent : 1.095.455,25 euro;
- Vrije Universiteit Brussel : 411.554,25 euro.
§ 2. De Vlaamse Gemeenschap houdt zich te allen tijde het recht voor het geheel of een gedeelte van de reeds uitgekeerde bedragen (daarbij inbegrepen het voorschot) terug te vorderen indien blijkt dat de toegekende middelen onrechtmatig werden angewend.
§ 3. Alle uitbetalingen in het kader van dit besluit, daarbij inbegrepen de te volgen procedures inzake boekhouding en controle, zullen gebeuren conform de regelgeving met betrekking tot het Financieringsfonds voor Schuldafbouw en Eenmalige Investeringsuitgaven, inzonderheid het decreet van 22 december 2000 houdende oprichting van een Financieringsfonds voor Schuldafbouw en Eenmalige Investeringsuitgaven en het besluit van de Vlaamse Regering van 21 mei 1997 betreffende een geïntegreerde economische boekhouding en budgettaire rapportering voor de Vlaamse openbare instellingen. Voor elke uitbetaling zullen de benodigde middelen vanaf het Financieringsfods voor Schuldafbouw en Eenmalige Investeringsuitgaven worden overgeheveld naar de daartoe geopende wachtrekening op het Centraal Financieringsorgaan van de Vlaamse Gemeenschap, en vervolgens vanaf deze wachtrekening worden doorgestort naar de volgende rekeningen :
- rek. nr. 432-0000011-57, geopend op naam van de Katholieke Universiteit Leuven, Krakenstraat 3, te 3000 Leuven;
- rek. nr. 001-0187079-42, geopend op naam van het Limburgs Universitair Centrum, Universitaire Campus te 3590 Diepenbeek;
- rek. nr. 735-0079972-32, geopend op naam van de Universiteit Antwerpen, Lange Nieuwstraat 55, te 2000 Antwerpen;
- rek. nr. 390-0965800-26, geopend op naam van de Universiteit Gent, Sint-Pietersnieuwstraat 25, te 9000 Gent;
- rek. nr. 001-0686455-62, geopend op naam van de Vrij Universiteit Brussel, Pleinlaan 2, te 1050 Brussel.
Art. 5. Uiterlijk op 1 december 2009 rapporteren de universiteiten aan de administratie Wetenschap en Innovatie over de besteding van de middelen en over het gebruik van de aangekochte apparatuur, inbegrepen een toetsing van het gebruik aan het oorspronkelijk opgesteld gebruiksplan. De administratie zal op basis hiervan overleggen met het FWO-Vlaanderen en een rapport overmaken aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het wetenschaps- en technologisch innovatiebeleid. Dit laat de Vlaamse overheid toe de meerwaarde van de investering te beoordelen.
Art. 6. Dit besluit treedt in werking op 1 december 2004.
Art. 7. De Vlaamse minister bevoegd voor het wetenschaps- en technologisch innovatiebeleid is belast met de uitvoering van dit besluit.


begin (#top) Publicatie : 2005-02-16