<janfebruari 2006mrt>
madiwodovrzazo
  
01
02
03
04
05
06
07
08
09
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
     
Publicatie (pdf) van
maandag 27 februari 2006
Printversie.
ARBITRAGEHOF
Bericht voorgeschreven bij artikel 74 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof
Bij vonnis van 9 januari 2006 in zake J. Dujardin en M. Davaux tegen S. Dohet, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 24 januari 2006, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Namen de volgende prejudiciële vraag gesteld :
« Is artikel 728, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, in samenhang gelezen met artikel 1042 van het Gerechtelijk Wetboek, indien het zo wordt geïnterpreteerd dat het de vertegenwoordiging door een echtgenoot of door een bloed- of aanverwante houder van een schriftelijke volmacht niet toestaat, wanneer de rechtbank van eerste aanleg uitspraak doet in hoger beroep tegen een beslissing van de vrederechter, in overeenstemming met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, aangezien het in die interpretatie ertoe leidt dat partijen die zich wensen te laten vertegenwoordigen door een echtgenoot of door een bloed- of aanverwante houder van een schriftelijke volmacht in het raam van eenzelfde geschil, op verschillende wijze worden behandeld naargelang zij in eerste of in tweede aanleg in rechte treden ? ».
Die zaak is ingeschreven onder nummer 3859 van de rol van het Hof.
De griffier,
P.-Y. Dutilleux.


begin (#top) Publicatie : 2006-02-27