|  |  |  |  | | VLAAMSE OVERHEID |  |  | | 19 JULI 2007 | | Omzendbrief BB 2007/07 Instructies voor het opstellen van de budgetten en meerjarenplannen voor 2008 van de gemeenten en van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van het Vlaamse Gewest |
| Aan de provinciegouverneurs : Ter kennisgeving aan : - de colleges van burgemeester en schepenen - de voorzitters van de raad voor maatschappelijk welzijn - de politiecolleges Deze omzendbrief bevat de instructies voor de gemeenten en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn voor het opstellen van hun budgetten en meerjarenplannen voor het jaar 2008. Die instructies zijn gemeenschappelijk voor beide besturen. Het eerste en tweede deel van de omzendbrief bevatten specifieke richtlijnen voor respectievelijk het meerjarenplan en de budgetten van de gemeente en van het OCMW. Het derde deel omvat enkele gemeenschappelijke instructies voor beide lokale besturen. Op 15 juli 2005 bekrachtigde de Vlaamse Regering het door het Vlaamse Parlement goedgekeurde gemeentedecreet (Belgisch Staatsblad, 31 augustus 2005, ed. 3). Het gemeentedecreet werd gewijzigd door het decreet van 2 juni 2006 (Belgisch Staatsblad, 26 juni 2006) en het decreet van 22 december 2006 (Belgisch Staatsblad, 29 december 2006). Artikel 313, § 1, van het gemeentedecreet geeft aan de Vlaamse Regering de bevoegdheid om het tijdstip te bepalen waarop elk artikel van het decreet of onderdelen ervan en de daarmee overeenstemmende opheffingsbepalingen in werking treden. Het gemeentedecreet treedt gefaseerd in werking. 1°) De volgende bepalingen zijn in werking getreden op 31 augustus 2005 (datum van bekendmaking in het Belgisch Staatsblad - art. 313, § 3) : de overgangsregelen voor het administratief en geldelijk statuut van de ontvanger, met de mogelijkheid het mandaatstelsel toe te passen vanaf die datum (art. 308); 2°) Een aantal artikelen traden in werking vanaf 1 januari 2006. Het betreft : - een aantal algemene bepalingen en het aantal raadsleden (art. 1 tot en met 5); - een aantal bepalingen over het personeel (personeelsformatie, rechtspositie) (art. 102 tot en met 194); - bepalingen over de berekening van termijnen, domeinrecht, gemeentewegen, optreden in rechte (art. 190 tot en met 194); - bepalingen over het bestuurlijk toezicht (art. 248 tot en met 264); - de schrijfwijze van de gemeentenamen (art. 296); - de opheffing van bepaalde artikelen van het decreet van 28 april 1993 houdende regeling voor het Vlaamse Gewest van het administratief toezicht op de gemeenten (art. 303, 4°). 3°) Een aantal bepalingen van het gemeentedecreet zijn in werking getreden naar aanleiding van de verkiezingen van 8 oktober 2006. De artikelen 6, 7, 8, 9, 11, 13, 38, 44, 45, 59, 60, 62, 63 en 273 traden geheel in werking op 5 september 2006 en de artikelen 274 en 276 traden gedeeltelijk in werking (besluit van de Vlaamse Regering van 1 september 2006, Belgisch Staatsblad, 5 september 2006). 4°) Bijna alle overige bepalingen van het gemeentedecreet traden in werking op 1 januari 2007, bij de vernieuwing van de gemeenteraden. Het gaat om het geheel van de politieke organisatie, de werking en bevoegdheden van de organen, de rechtspositie, de tuchtregeling en de aansprakelijkheid van de mandatarissen, de algemene bepalingen over de werking van de besturen, de gemeentelijke diensten, de wijziging van de grenzen, de verzelfstandiging, de participatie van de burger. Ook een aantal artikelen van titel IV (planning en financieel beheer) traden in werking. Het gaat onder meer om de artikelen 148, 149 en 150 van het gemeentedecreet, met betrekking tot het budget. Het besluit van de Vlaamse Regering van 24 november 2006 (Belgisch Staatsblad, 30 november 2006) regelt de inwerkingtreding van die bepalingen, samen met de opheffing van de overeenstemmende bepalingen in de Nieuwe Gemeentewet en het Algemeen Reglement op de Gemeentelijke Comptabiliteit. Niettemin konden gemeenten die een ruimere voorbereidingstijd wensten, de implementatie van een aantal welbepaalde maatregelen faseren en uitstellen tot uiterlijk 1 oktober 2007 (1). Dat was mogelijk voor : - de goedkeuring van de gemeenteraad van het interne controlesysteem (2), - de oprichting van het managementteam conform artikel 96 van het gemeentedecreet, - de bepaling van het begrip dagelijks bestuur en opdrachten van dagelijks bestuur, - het vaststellen van de categorieën van verrichtingen van dagelijks bestuur die uitgesloten zijn van visumverplichting, - de rapporteringsverplichtingen bedoeld in artikelen 165, 166, 167 en 168 van het decreet, - het verrichten van betalingen met dubbele handtekening overeenkomstig artikel 163 van het decreet. Ik wens de aandacht van de besturen erop te vestigen dat de einddatum van de overgangsperiode nadert. Ik dring er dan ook op aan dat tijdig de nodige beslissingen worden genomen en de nodige formaliteiten worden verricht voor zover dat nog niet gebeurde. De bijzondere bepalingen over het bestuurlijk toezicht inzake financiën (titel IV van het gemeentedecreet) treden pas in werking op een later door de Vlaamse Regering vast te stellen datum. In afwachting daarvan blijft de regeling van het toezichtdecreet van 28 april 1993 van toepassing op de begrotingen, begrotingswijzigingen en het meerjarig financieel beleidsplan van de gemeenten. Voor de inwerkingtreding van de bepalingen inzake de boekhouding wordt eveneens geopteerd voor een gefaseerd implementatietraject. Het voordeel van deze methode is dat kan bepaald worden welke de meest aangewezen volgorde is waarop de elementen van het nieuw financieel instrumentarium worden ingevoerd. De kans dat de besturen op het einde van het implementatietraject alles op een degelijke manier hebben geïmplementeerd wordt hierdoor vergroot. Op deze wijze worden de gemeenten in staat gesteld zich geleidelijk aan in te schakelen in de vernieuwingen. Hiermee is gestart op 1 januari 2007, door een groot aantal bepalingen van het gemeentedecreet in werking te laten treden. De bepalingen inzake de boekhouding en de financiële rapporten zullen algemeen van toepassing zijn voor alle gemeentebesturen en OCMW's vanaf het boekjaar 2013. Dat is het startjaar van de nieuwe gemeentelijke legislatuur. Uiterlijk vanaf 2010 zal jaarlijks een aantal besturen, op vrijwillige basis, kunnen beslissen om over te gaan tot de implementatie van het nieuwe financiële instrumentarium. Uiteraard zullen deze besturen de nodige voorbereidingen moeten getroffen hebben om klaar te zijn voor deze omschakeling. De externe audit zal eveneens met een gefaseerd traject worden ingevoerd. Het Agentschap voor Binnenlands Bestuur zal de besturen heel gericht begeleiden bij deze omschakeling. Tenslotte verwijs ik naar de website van het agentschap en meer in het bijzonder naar de FAQ's in verband met (interpretatie)problemen met betrekking tot de inwerkingtreding van het gemeentedecreet : http://www.binnenland.vlaanderen.be/werkingbesturen/gemeentedecreet.htm#vragenantwoorden De standpunten daarop worden regelmatig geactualiseerd. I. INSTRUCTIES VOOR DE MEERJARENPLANNING EN DE BUDGETTEN VAN DE GEMEENTEN A. ALGEMENE INSTRUCTIES 1. De strategische meerjarenplanning De artikelen 146 en 147 van het gemeentedecreet, met betrekking tot de strategische meerjarenplanning, traden nog niet in werking. Het is namelijk niet realistisch om op korte termijn de besturen te verplichten een strategische meerjarenplanning volgens het nieuwe concept op te leggen. In tegenstelling tot het budget is het begrip meerjarenplan bovendien niet strikt noodzakelijk voor de invoering van het budgethouderschap. De artikelen van het gemeentedecreet die al in werking zijn getreden en waarin verwezen wordt naar het strategische meerjarenplan, worden daarom op de volgende wijze ingevuld : - op basis van het algemeen beleidsprogramma, zoals dat opgelegd is in artikel 242bis van de Nieuwe Gemeentewet. Na de verkiezing van de schepenen wordt het algemeen beleidsprogramma door het college voorgelegd aan de gemeenteraad. Het is belangrijk dat het, voor de duur van de legislatuur, minstens de belangrijkste (strategische) beleidsplannen bevat. Op die manier verwerven de besturen al de noodzakelijke evaring inzake strategische planning tegen het ogenblik dat de artikelen 146 en 147 van het gemeentedecreet in werking worden gesteld. Met het oog op een efficiënt planningsproces is het wenselijk dat het college het algemeen beleidsprogramma uiterlijk vóór het einde van het jaar dat volgt op de gemeenteraadsverkiezingen (eind 2007 dus) en vóór het beraadslaagt over het budget van het volgende boekjaar (budget 2008) aan de gemeenteraad voorlegt; - op basis van het decreet van 28 april 1993 houdende regeling, voor het Vlaamse Gewest, van het administratief toezicht op de gemeenten, waarin artikel 7 verwijst naar het meerjarig financieel beleidsplan. Het meerjarig financieel beleidsplan moet inzicht verstrekken in de aard en de omvang van het voorgenomen beleid en de dienstverlening en in de financiële gevolgen van de beoogde doelstellingen. Het moet aansluiten bij het algemeen beleidsprogramma. Op de bovenvermelde manier kunnen de gemeentebesturen een strategisch plan opstellen en aan de gemeenteraad voorleggen, zonder dat hun nu hiervoor aanvullende formele verplichtingen worden opgelegd. Wel is het wenselijk dat de gemeentesecretaris het ontwerp van het algemeen beleidsprogramma opmaakt en dat de ontvanger het ontwerp van het meerjarig financieel beleidsplan opmaakt, in overleg met het managementteam. De besturen kunnen zo een groeiproces doorlopen om later te komen tot een volwaardig strategisch meerjarenplan. 2. Het budget Overeenkomstig de definitie in artikel 158 van het gemeentedecreet houdt het budgethouderschap een toegekende bevoegdheid in tot het beheer van een budget dat taakstellend is. Taakstellend impliceert dat er doelstellingen geformuleerd worden. Daarom moesten ook de artikelen 148, 149 en 150 van het gemeentedecreet in werking worden gesteld. Die artikelen bepalen dat het budget bestaat uit een beleidsnota en een financiële nota. 2.1 Vorm 2.1.1 De beleidsnota van het budget De term « beleidsnota » wordt gedefinieerd in artikel 150 van het gemeentedecreet : « De beleidsnota verwoordt het beleid dat de gemeente gedurende het boekjaar zal voeren en concretiseert de beleidsdoelstellingen. De beleidsnota omvat een toelichting omtrent de financiële toestand van de gemeente en verwoordt de aansluiting met de financiële nota. » Aangezien de bepalingen over de strategische meerjarenplanning nog niet in werking treden, kan de beleidsnota van het budget nog geen concretisering inhouden van de beleidsdoelstellingen uit de strategische nota van het meerjarenplan. De doelstellingen, opgenomen in de beleidsnota, sluiten aan bij de beleidsdoelstellingen, opgenomen in het algemeen beleidsprogramma. De beleidsnota is een beknopt en bevattelijk document dat concreet moet aangeven welke beleidsdoelstellingen het bestuur wil realiseren (als concretisering van de doelstellingen uit het algemeen beleidsprogramma) en welke middelen het bestuur daarvoor nodig heeft. Het beleid moet bepaald worden op basis van hoofdlijnen. Bijgevolg is het wenselijk dat de gemeenteraad het aantal doelstellingen beperkt en ze maximaal afstemt op de behoeften van de eigen gemeente. Het is dus niet raadzaam (en wellicht ook niet mogelijk) om alle activiteiten van de gemeente in doelstellingen te vertalen. De raad moet zich in de eerste plaats concentreren op de wijzigingen die het bestuur wil aanbrengen aan de bestaande toestand. Concreet moet de beleidsnota het antwoord bevatten op de volgende vragen : - Wat willen de beleidsmensen bereiken (doelstellingen) ? - Wat gaat het bestuur daarvoor doen (actieplannen per doelstelling) ? - Hoeveel gaat dat het bestuur kosten en opbrengen (de raming van de uitgaven en ontvangsten per doelstelling) ? - Hoe gaat het bestuur dat financieren (belastingen, subsidies, desinvesteringen, externe financiering) ? In de beleidsnota moet ook de aansluiting worden gemaakt met de financiële nota van het budget (voorlopig de huidige begroting), waarin de benodigde middelen verder moeten worden ingevuld. Door de inwerkingtreding van de bepaling over de beleidsnota kon het verslag bij het ontwerp van de begroting, zoals bepaald in artikel 96 van de Nieuwe Gemeentewet, opgeheven worden. Het Agentschap voor Binnenlands Bestuur stelt op haar website voorbeelden en modellen ter beschikking die de besturen kunnen hanteren voor het opstellen van hun algemeen beleidsprogramma en beleidsnota (zie daarvoor de volgende link : http://www.binnenland.vlaanderen.be/werking_besturen/gemeentedecreet/voorbeelden-modellen/voorbeeld-ABP-BN.xls ). 2.1.2 De financiële nota van het budget (begroting) De financiële nota van het budget wordt voorlopig ingevuld door de bepalingen betreffende de begroting van het koninklijk besluit van 2 augustus 1990 houdende het Algemeen Reglement op de Gemeentelijke Comptabiliteit. De begroting moet de financiële vertaling zijn van de beleidsdoelstellingen, geformuleerd in de beleidsnota van het budget. 2.2 De procedure voor de opmaak en vaststelling van het budget Het voorontwerp van budget wordt opgemaakt door de administratie. Zowel de gemeentesecretaris als de ontvanger hebben daarbij een taak te vervullen. De gemeentesecretaris is verantwoordelijk voor het opstellen van het voorontwerp van de beleidsnota van het budget en de ontvanger voor het voorontwerp van de financiële nota (begroting) van het budget. Zowel de gemeentesecretaris als de ontvanger moeten hiervoor dus nauw samenwerken en dit in overleg met het managementteam. Uiteindelijk zal het college beslissen om het ontwerp van budget op de agenda van de gemeenteraad te plaatsen. Dat ontwerp moet op zijn minst veertien dagen vóór de vergadering waarop het wordt besproken aan ieder lid van de gemeenteraad worden bezorgd. Het budget wordt vastgesteld door de gemeenteraad op basis van het meerjarenplan vóór het begin van ieder boekjaar (dus vóór 1 januari (3)). De gemeenteraad stemt over het budget in zijn geheel. Elk gemeenteraadslid kan echter de afzonderlijke stemming eisen over een of meerdere onderdelen van het budget die het aanwijst. In dat geval mag over het geheel pas gestemd worden na de stemming over een of meer onderdelen die op die manier zijn aangewezen. De stemming over het geheel heeft dan betrekking op de onderdelen waarover geen enkel gemeenteraadslid afzonderlijk wil stemmen en op de onderdelen die al bij een afzonderlijke stemming zijn aangenomen. Het is belangrijk om vanaf het begin van het jaar over een uitvoerbaar budget te beschikken, onder meer wegens : - de beperking tot het strikte minimum van het gebruik van voorlopige kredieten (voorlopige twaalfden (4)); - de tijdige goedkeuring van de belastingverordeningen en de vaststelling van de aanslagvoeten van de aanvullende belasting op de personenbelasting en van de opcentiemen op de onroerende voorheffing. Alleen dan kan de inkohiering en de inning van de belastingen zonder vertraging worden aangevat en vermijden de gemeenten eventuele discussies over een invoering met terugwerkende kracht. 2.3 Doorzending naar de toezichthoudende overheid De gemeenten zenden de besluiten van de gemeenteraad betreffende het budget en de budgetwijzigingen (5), binnen een termijn van twintig dagen nadat ze zijn getroffen, naar de provinciegouverneur en naar de Vlaamse Regering. Ik verzoek de gouverneurs om onmiddellijk na de ontvangst van de budgetten na te gaan of alle documenten en vereiste bijlagen zorgvuldig werden opgemaakt. Als aan de bovenvermelde verplichtingen niet werd voldaan of als het budget of de bijlagen niet behoorlijk werden ingevuld, zal de gouverneur de voorgelegde stukken onmiddellijk terugzenden of de ontbrekende stukken onmiddellijk opvragen. De in het decreet vastgestelde toezichttermijn van vijftig dagen neemt in beide gevallen geen aanvang. De toezichttermijn begint pas te lopen vanaf de ontvangst van het laatste ontbrekende stuk. Het budget voor 2008 bestaat uit de hierna volgende documenten en bijlagen. Een controlelijst van de bij het budget 2008 te voegen documenten vindt u ook als bijlage I bij deze omzendbrief. 2.3.1 De beleidsnota De beleidsnota verwoordt het beleid dat de gemeente gedurende het boekjaar zal voeren en concretiseert de beleidsdoelstellingen. De beleidsnota omvat een toelichting omtrent de financiële toestand van de gemeente en verwoordt de aansluiting met de financiële nota of begroting (zie ook rubriek 2.1.1 van deze omzendbrief). 2.3.2. De financiële nota = begroting De financiële nota van het budget wordt voorlopig ingevuld door de begroting. De termen « begroting » en « financiële nota van het budget » in deze onderrichtingen betekenen dus hetzelfde. De financiële nota of begroting is de financiële vertaling van de beleidsdoelstellingen, geformuleerd in de beleidsnota van het budget. De economische groepen mogen gerangschikt en getotaliseerd worden per functionele code, zowel aan de ontvangsten- als aan de uitgavenzijde. Hierdoor zijn de totale ontvangsten en uitgaven per functionele code duidelijk af te lezen. In de samenvattende tabel van de ontvangsten en de uitgaven mogen de functionele groepen uitgebreid worden zoals in het corpus van de financiële nota (begroting). De op te nemen leningen voor de financiering van de buitengewone uitgaven worden volledig als buitengewone ontvangst ingeschreven onder de functie 010 "openbare schuld", maar met een opsplitsing per aard (naar gelang van de economische codes). Dat houdt ook in dat de intrest- en aflossingslasten, zowel van de opgenomen als van de op te nemen leningen, volledig worden opgenomen onder dezelfde functie 010 in de gewone uitgaven. Dat betekent tegelijk dat in tabel 7 "tabel van de gemeenteleningen" alleen het onderdeel "samenvatting van de leningen" wordt behouden(zie punt 2.6.3 hierna). De volledige tabel van de gemeenteleningen (inclusief het onderdeel onroerende leasing) moet uiteraard ter inzage van de raadsleden liggen. 2.3.3 Tabellen tabel 1 : De algemene gegevens betreffende de gemeente tabel 6 : Programma van tijdens het dienstjaar uit te voeren investeringen tabel 7 : Samenvatting van de leningen tabel 8 : Evolutie van de gemeenteschuld Opmerking bij tabel 8 « Evolutie van de gemeenteschuld » Tabel 8 houdt, behalve met de leningen, ook rekening met alle lasten die met leasingovereenkomsten gepaard gaan, zowel met die uit het verleden als met die van nieuwe of nog te sluiten leasingovereenkomsten. Ingeval de gemeente leningen aangaat of heeft gesloten met verschillende financiële instellingen, moet de tabel van de gemeenteschuld vanzelfsprekend zo worden opgemaakt dat ze al die leningen bevat. Het in het verleden opgemaakte model moet daaraan worden aangepast. De structuur van de tabel blijft dezelfde, namelijk : - Saldo, nog terug te betalen op 1 januari; - Nieuwe leningen van het dienstjaar; - Bedrag, terugbetaald gedurende het dienstjaar; - Saldo, terug te betalen op 31 december; - Betaalde intresten; - Jaarlijkse last (bedrag terugbetaald gedurende het dienstjaar + betaalde intresten). De besturen moeten de al bestaande tabel uitbreiden met elke nieuwe financiële instelling waarbij ze leningen hebben gesloten of nieuwe leningen zullen sluiten. Tot slot worden de gegevens van alle financiële instellingen getotaliseerd, uiteraard met behoud van de hierboven omschreven structuur. 2.3.4 Het meerjarig financieel beleidsplan Het meerjarig financieel beleidsplan moet aansluiten bij het algemeen beleidsprogramma en moet inzicht verstrekken in de aard en de omvang van het voorgenomen beleid en de dienstverlening en in de financiële gevolgen van de beoogde doelstellingen. Het meerjarig financieel beleidsplan dat als basis dient voor het budget 2008, omvat voor alle gemeenten op zijn minst de jaren 2008, 2009, 2010, 2011 en 2012. Het loopt dus op zijn minst over de volledige bestuursperiode. Zo wordt de aansluiting in duurtijd met het algemeen beleidsprogramma gewaarborgd. De gemeenten zijn wettelijk verplicht het evenwicht van het meerjarig financieel beleidsplan te behouden (artikel 8 van het toezichtdecreet van 28 april 1993, dat nog van toepassing is). Opdat de gemeenteraad de financiële ontwikkeling van het bestuur met kennis van zaken zou kunnen beoordelen, moet het college van burgemeester en schepenen de raad voldoende toelichtingen en ondersteunend cijfermateriaal verstrekken bij het meerjarig financieel beleidsplan. In de toelichtingen wordt onder meer verduidelijkt welke hypotheses het bestuur hanteert. De stukken waarnaar in het plan wordt verwezen en waarop bepaalde in het plan ingeschreven cijfers zijn gebaseerd, worden bij voorkeur geheel of gedeeltelijk bijgevoegd. Ze moeten in elk geval kunnen worden ingezien. Ze zijn essentieel om een juiste beoordeling van de financiële ontwikkeling mogelijk te maken, zeker als de in het meerjarig financieel beleidsplan gebruikte stijgingspercentages afwijken van de ontwikkeling die in deze instructies aanbevolen wordt. Een waardevolle beleidsplanning dwingt ook tot realistische ramingen op de buitengewone dienst. De ramingen in het meerjarig financieel beleidsplan hebben betrekking op investeringsprojecten ter uitvoering van de beleidsdoelstellingen opgenomen in het algemeen beleidsprogramma of in de beleidsnota van het budget. Het is nuttig grote investeringsuitgaven en belangrijke nieuwe projecten bondig toe te lichten. De besturen kunnen verder, bij het opstellen van hun meerjarig financieel beleidsplan gebruik maken van prognoses. Die prognoses bevatten de bedragen waarvan het bestuur, op grond van een overtuigende verantwoording, aanneemt dat zij wellicht als vastgesteld recht of als vastgelegde uitgave in de rekening zullen worden opgenomen. Het toepassen van prognoses gebaseerd op historische cijfers inzake de zogenaamde ongebruikte kredieten is, wat de uitgaven betreft, toegestaan voor de geraamde gewone uitgaven die betrekking hebben op de economische groepen personeel, werkingskosten en overdrachten (eigen dienstjaar). Daartoe berekent het bestuur voor die economische groepen telkens, over een redelijke periode (bijvoorbeeld vijf jaar), het gemiddelde percentage van de uitgaven die werkelijk zijn vastgelegd in verhouding tot de ramingen. Als de gemeente vaststelt dat een ander percentage dan het gemiddelde van de voorgaande jaren meer overeenstemt met de toekomstige realiteit, dan zal ze uiteraard dat meer realistische percentage hanteren voor de berekening van de prognoses en het gebruik ervan verduidelijken. In de berekening van het percentage voor personeel worden de uitgaven voor onderwijzend personeel die ten laste komen van de hogere overheden, buiten beschouwing gelaten. Prognoses voor leningsuitgaven zijn alleen toegestaan als de gemeente de planning van de buitengewone dienst in kaart brengt en daaruit de verwachte werkelijke leningsuitgaven becijfert. De planning van de buitengewone dienst mag gebaseerd zijn op historische vaststellingen van de voorgaande dienstjaren, zowel voor de ongebruikte kredieten als voor de uitvoeringstermijnen. Door de techniek van de prognoses toe te passen komt het meerjarig financieel beleidsplan veel dichter bij de begrotingsrekening. Er ontstaat bijgevolg een realistischer beeld van de ontwikkeling van de gemeentefinanciën. Het is dan ook van het allergrootste belang dat de gemeente ervoor zorgt dat in de samenvattende tabel "Overzicht van de financiële ontwikkeling » het saldo van het eigen dienstjaar niet op structurele wijze negatief wordt. Een permanent tekort op het eigen dienstjaar is op langere termijn niet houdbaar omdat het de financiële reserves van het bestuur aantast. 2.3.5 Het advies van de begrotingscommissie Artikel 12 van het koninklijk besluit van 2 augustus 1990 houdende het Algemeen Reglement op de Gemeentelijke Comptabiliteit is nog steeds van toepassing. Het advies van de begrotingscommissie heeft betrekking op de wettelijkheid en de te verwachten financiële weerslag van de begroting (de financiële nota van het budget). Het moet samen met het ontwerp van budget aan de gemeenteraadsleden en als bijlage bij het vastgestelde budget aan de toezichthoudende overheid worden bezorgd. Als de gemeenteraad het budget opnieuw vaststelt na schorsing door de gouverneur, moet het advies van de begrotingscommissie over de begroting (financiële nota van het budget) opnieuw worden ingewonnen. 2.3.6 Andere gegevens - Gegevens betreffende de volgende ramingen : 1. ramingen personenbelasting en verkeersbelasting 2. ramingen inzake gemeentelijke ontvangsten Elia-heffing (zie 3.1) 3. ramingen inzake energiedividenden (zie 3.2) - Lijst van gemeentelijke vzw's die subsidies ontvangen van meer dan 2.500 euro 2.4 Het exemplaar voor statistische verwerking van financiële informatie uit begrotingen en rekeningen Het voor de Vlaamse Regering bestemde exemplaar van het budget moet samen met de bijlagen gezonden worden naar het volgende adres : Vlaams Ministerie van Bestuurszaken Agentschap voor Binnenlands Bestuur Afdeling Lokale en Provinciale Besturen - Financiën en Personeel Boudewijngebouw Boudewijnlaan 30, bus 70 1000 Brussel De doorzending in elektronische vorm, ter uitvoering van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juli 1998 tot regeling van de toezending van de besluiten van de gemeenteraad betreffende de begrotingen en rekeningen naar de Vlaamse Regering, geldt op dit ogenblik alleen voor de bestanden van de begrotingsrekening en de saldibalans. Die doorzending is van bijzonder belang opdat de Vlaamse overheid en ook de gemeenten zelf een algemeen beeld zouden kunnen behouden van de ontwikkeling van de gemeentelijke financiën. De op te sturen computerbestanden moeten voldoen aan het protocol dat beschreven is in het bovengenoemde besluit van de Vlaamse Regering van 7 juli 1998. Die bestanden mogen doorgestuurd worden via het internet (binnenland@vlaanderen.be) of met de speciaal daartoe ontwikkelde applicatie van Dexia. Als beide kanalen niet mogelijk blijken, mag het gemeentebestuur de bestanden op een diskette met de post opsturen. Voor meer informatie kunt u terecht bij mevrouw Christel Claesen (tel. 02-553 39 85, e-mail : christel.claesen@bz.vlaanderen.be). Als bijlage II bij deze omzendbrief staan opmerkingen en richtlijnen voor de op te sturen bestanden, die voortvloeien uit de evaluatie ervan over de voorbije begrotingsrekeningen. Ik vraag de gemeenten om rekening te houden met die richtlijnen. 2.5 Budgetwijzigingen Artikel 154 van het gemeentedecreet treedt nog niet in werking. Bijgevolg blijven de artikelen 15 en 16 van het Algemeen Reglement op de Gemeentelijke Comptabiliteit van toepassing. Begrotingswijzigingen (wijzigingen van de financiële nota van het budget) impliceren echter een wijziging van de financiële vertaling van de beleidsdoelstellingen uit de beleidsnota. Begrotingswijzigingen vereisen dus meestal een aanpassing van de beleidsnota zelf. De procedure voor de opmaak van het ontwerp van een budgetwijziging is gelijklopend met de procedure voor de opmaak van het budget. Het voorontwerp van de verklarende nota van budgetwijziging wordt opgesteld door de gemeentesecretaris en het voorontwerp van de financiële nota van budgetwijziging wordt opgesteld door de ontvanger. Ze doen dat beiden in overleg met het managementteam. In het gemeentedecreet is niet bepaald dat voor budgetwijzigingen het ontwerp veertien dagen vooraf naar de raadsleden moeten worden opgestuurd. Bijgevolg is de termijn die opgenomen is in artikel 21 (6) van het gemeentedecreet van toepassing (ten minste acht dagen vooraf). De toezichtregeling voor de budgetten is onverkort van toepassing op de budgetwijzigingen. Het meerjarig financieel beleidsplan wordt herwerkt als de budgetwijziging een wezenlijke invloed heeft op de volgende dienstjaren. Dat kan onder meer het geval zijn doordat naar aanleiding van een budgetwijziging het begrotingsresultaat van de laatste rekening in het beleidsplan wordt ingeschreven en daardoor het evenwicht in een of meer jaren niet meer kan worden gehandhaafd. Het evenwicht kan eveneens in gevaar komen bij bijvoorbeeld een belangrijke stijging van de personeelskosten of een aanzienlijke toename van het investeringsvolume. Ik verzoek de besturen ook om, als dat relevant is, bij de budgetwijzigingen een aangepaste tabel 6 - programma van tijdens het dienstjaar uit te voeren investeringen - te voegen. 3. Bestuurlijk toezicht op de budgetten van de gemeenten 3.1 Uitoefening van het algemeen bestuurlijk toezicht De artikelen 176 tot en met 178 van het gemeentedecreet die het bestuurlijk toezicht regelen op het meerjarenplan en het budget zijn nog niet in werking getreden. Anderzijds zijn de art. 255, § 1, art. 253, § 1, 2°, art. 149 en art. 150 van het gemeentedecreet al wel in werking. Dat houdt onder meer in dat de gouverneur het budget of de budgetwijziging kan schorsen wanneer het budget, overeenkomstig art. 149 van het gemeentedecreet, niet bestaat uit een financiële nota en een beleidsnota of wanneer de beleidsnota niet voldoet aan de vereisten van art. 150 van het gemeentedecreet. Overeenkomstig art. 150 verwoordt de beleidsnota het beleid dat de gemeente gedurende het boekjaar zal voeren en concretiseert ze de beleidsdoelstellingen. Verder omvat de beleidsnota een toelichting omtrent de financiële toestand van de gemeente en verwoordt ze de aansluiting met de financiële nota (begroting). Het budget kan in de bovenvermelde gevallen worden geschorst omwille van een schending van het recht. Verder blijft, in uitvoering van het decreet van 28 april 1993, het algemeen bestuurlijk toezicht van toepassing op de begrotingen van de gemeenten. Voor de gemeenten die voor de sanering van hun financiën leningen hebben aangegaan waaraan het Vlaamse Gewest zijn waarborg heeft verleend, geldt nog steeds het goedkeuringstoezicht van de Vlaamse Regering (7). De gouverneurs zijn, krachtens artikel 8, § 1, van het toezichtdecreet, verplicht om het budget of de budgetwijziging te schorsen in de volgende gevallen : - als de gemeenteraad een begroting (financiële nota van het budget) voorlegt met een deficitair saldo op de gewone of de buitengewone dienst of met een fictief evenwicht of fictief batig saldo of als uit het meerjarig financieel beleidsplan blijkt dat het evenwicht niet behouden kan blijven; - als de gemeenteraad ontvangsten of verplichte uitgaven die volgens de wet gedurende het jaar waarop het budget betrekking heeft ten gunste of ten laste van de gemeente komen, geheel of gedeeltelijk niet in de begroting (financiële nota van het budget) heeft opgenomen; - als de gemeenteraad ontvangsten op de begroting (financiële nota van het budget) brengt die gedurende het jaar waarop ze betrekking heeft geheel of gedeeltelijk niet aan de gemeente toekomen; - als de gemeenteraad onwettige uitgaven of ontvangsten in de begroting (financiële nota van het budget) inschrijft. Een schorsing om loutere opportuniteitsredenen is uitgesloten. De gouverneur kan de schorsing ook beperken tot een of meer onderdelen van het budget als dat het evenwicht van het budget niet in gevaar brengt. De datum van ontvangst van de documenten die integraal deel uitmaken van het budget of de budgetwijziging, is bepalend voor de aanvang van de toezichttermijn van vijftig dagen. De termijn begint dus niet te lopen zolang niet alle documenten werden ontvangen. 3.2 Tegensprekelijke procedure in geval van schorsing De gemeenteraad spreekt zich gemotiveerd uit over de schorsing en stelt het budget of de budgetwijziging opnieuw vast. Hij stuurt zijn gemotiveerd besluit naar de Vlaamse Regering (Agentschap voor Binnenlands Bestuur). Een afschrift van dat gemeenteraadsbesluit wordt dezelfde dag naar de provinciegouverneur gestuurd. De Vlaamse Regering spreekt zich vervolgens definitief uit over het budget, binnen een termijn van vijftig dagen die ingaan op de dag na het inkomen van het door de gemeenteraad opnieuw vastgestelde budget (de toezichtregeling van het decreet van 28 april 1993 is hier nog volledig van toepassing). De Vlaamse Regering kan daarbij alle vereiste maatregelen nemen om het evenwicht van het budget te herstellen en om wettelijk verplichte uitgaven in te schrijven of ontvangsten te schrappen. B. BIJZONDERE INSTRUCTIES 1. De fondsen 1.1 Het Gemeentefonds Het Gemeentefonds biedt een basisfinanciering aan zowel gemeenten als OCMW's. Daarom worden hierover instructies verstrekt in punt 4 van de rubriek III Gemeenschappelijke instructies voor de gemeenten en OCMW's. 1.2 Het Stedenfonds (8) Voor de opname van de trekkingsrechten in het budget en de boekhoudkundige verwerking ervan verwijs ik naar de omzendbrief BA-05/08 van 25 november 2005 inzake Stedenbeleid (Jaarlijkse administratieve controle van de financiële verrichtingen in het kader van de beleidsovereenkomst - Overdracht van niet-vastgelegde trekkingsrechten) (Belgisch Staatsblad, 21 december 2005). De instructies in die omzendbrief zijn alleen van toepassing op de steden, vermeld in de voetnoot (en de Vlaamse Gemeenschapscommissie). 2. Fiscaliteit 2.1 Goedkeuring en doorsturing van de aanslagvoeten inzake OV en APB : algemene aanbevelingen De opcentiemen op de onroerende voorheffing en de aanvullende belasting op de personenbelasting worden best nog jaarlijks opnieuw goedgekeurd door de gemeenteraad : deze beide belastingen zijn immers van doorslaggevend belang voor het begrotingsevenwicht en bovendien worden de basisbelastingen waaraan zij gekoppeld zijn ook jaarlijks herstemd door het Vlaamse of federale parlement. De gemeentebesturen hebben er alle belang bij om de besluiten betreffende de aanvullende personenbelasting en de opcentiemen op de onroerende voorheffing zo vlug mogelijk aan de provinciegouverneur te bezorgen. 2.2 De aanvullende belasting op de personenbelasting (APB) 2.2.1 Goedkeuring van de aanslagvoeten De aanslagvoet van de aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting wordt best al goedgekeurd vóór 31 december van het jaar voorafgaand aan het aanslagjaar. Zo vermijdt men eventuele rechtsgedingen wegens problemen van retroactiviteit (9). Volgens sommige rechtspraak is het inkomen immers niet alleen de grondslag van de personenbelasting maar ook van de aanvullende belasting op de personenbelasting. Die grondslag neemt een einde op 31 december van het jaar voorafgaand aan het dienstjaar (artikel 200 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen). Beslissingen tot vaststelling van de aanslagvoet, die genomen zijn in het dienstjaar zelf (dus na 31 december van het jaar waarin het inkomen werd gerealiseerd), worden volgens die redenering als retroactief beschouwd. 2.2.2 Dienstjaar = aanslagjaar « Aanslagjaar" is de term die gebruikt wordt voor federale belastingen, terwijl er in gemeentelijke belastingverordeningen sprake is van "dienstjaar". Beide begrippen slaan echter op hetzelfde jaar (het nog niet opgeheven artikel 238 van de Nieuwe Gemeentewet definieert het financiële dienstjaar als het burgerlijk jaar en artikel 359 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen definieert het aanslagjaar als het jaar dat begint op 1 januari en eindigt op de daaropvolgende 31stedecember; artikel 145 van het gemeentedecreet geeft dezelfde definitie aan het financieel boekjaar). Overeenkomstig artikel 200 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 wordt de personenbelasting, met inbegrip van de aanvullende gemeentebelasting, gevestigd op het inkomen van het jaar dat voorafgaat aan het aanslagjaar (en dat dus ook voorafgaat aan het dienstjaar). Om mogelijke begripsverwarring verder uit te sluiten doen de gemeenten er goed aan om hun belastingverordening betreffende de vaststelling van de aanvullende personenbelasting aan te vullen als volgt : « Er wordt voor het dienstjaar 2008 een aanvullende belasting gevestigd ten laste van de rijksinwoners die belastbaar zijn in de gemeente op 1 januari van dit dienstjaar. De belasting wordt vastgesteld op... % van het volgens artikel 466 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 berekende gedeelte van de personenbelasting die aan het Rijk verschuldigd is voor hetzelfde dienstjaar. Het dienstjaar is hetzelfde als het aanslagjaar volgens de terminologie die gebruikt wordt in het Wetboek van de Inkomstenbelastingen. » Deze belasting wordt gevestigd op basis van het inkomen dat de belastingplichtige heeft verworven in het aan het dienstjaar voorafgaande jaar, dus in 2007 (dienstjaar min 1) ». 2.2.3 Raming van de opbrengst De door de federale overheidsdienst Financiën geraamde opbrengst voor 2008 wordt normaal in oktober 2007 aan de gemeenten meegedeeld. De gemeenten schrijven die bedragen in hun budget in. De gemeenten die op het ogenblik dat ze hun budget opmaken, nog niet beschikken over de door de federale overheidsdienst Financiën verstrekte raming van de netto-opbrengst van de aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting voor 2008, gaan uit van de voor 2007 verstrekte raming en passen daarop de spontane jaarlijkse groei toe en houden rekening met de effecten van een eventuele wijziging van de gemeentelijke aanslagvoet inzake de personenbelasting voor het aanslagjaar 2008. De besturen mogen in dat geval voor hun ramingen van het budget 2008 en ook voor de daaropvolgende jaren in de meerjarenplanning uitgaan van een spontane jaarlijkse groei van 2,2 %. Wanneer zij een ander groeipercentage wensen te gebruiken, verstrekken de besturen daarvoor een gemotiveerde en cijfermatige verantwoording. De administratiekosten op de aanvullende personenbelasting die de staat voor de gemeenten int, bedragen 1 % sinds 2003. Ik wens verder te benadrukken dat het opgegeven groeipercentage een gemiddelde is, gebaseerd op de gegevens waarover het agentschap voor Binnenlands Bestuur op dit ogenblik beschikt en dat die gegevens, vooral inzake de meerjarenplanning, evolueren in de tijd. Als bovendien de federale overheidsdienst Financiën in de loop van 2008 andere ramingen of een prognose van de vermoedelijke ontvangsten meedeelt, kunnen de gemeenten, behoudens andere instructies, die aangepaste ramingen verwerken naar aanleiding van een budgetwijziging. 2.2.4 Wijzigingen van de aanslagvoet voor de aanvullende personenbelasting Als een gemeente haar aanslagvoet inzake de aanvullende personenbelasting verhoogt of verlaagt, vraagt ze aan de federale overheidsdienst Financiën een raming van de te verwachten meer- of minderopbrengsten. Als de gemeente niet (tijdig) beschikt over die raming, dan wordt in het meerjarig beleidsplan de weerslag van de wijziging voor 100 % doorgerekend in het jaar dat volgt op het aanslagjaar waarvoor de aanslagvoet werd gewijzigd. Stellen we bijvoorbeeld dat een gemeente een aanpassing doorvoert voor het aanslagjaar 2008 (inkomsten 2007). De belastingplichtige heeft dan tijd tot eind juni 2008 om de aangifte in de personenbelasting in te dienen. De eerste inkohieringen gebeuren op zijn vroegst vanaf oktober 2008. De belastingplichtige heeft dan twee maanden de tijd, te rekenen vanaf de maand van de inkohiering, om zijn belastingschuld te vereffenen of krijgt twee maanden na de inkohiering de teveel betaalde personenbelasting en de aanvullende personenbelasting terug. Dat gebeurt dus uiterlijk in december 2008. De federale overheid heeft dan één maand de tijd om de doorstorting aan de gemeenten uit te voeren. Dat betekent dat de eerste doorstortingen op zijn vroegst in januari 2009 gebeuren. Bijgevolg zal de gemeente van de aanpassing van de aanslagvoet in het jaar van de aanpassing zelf geen effecten ondervinden. Omdat de federale overheid slechts tot eind juni 2009 een rechtsgeldige aanslag kan vestigen, zal het effect van de aanpassing zich voor 100 % voltrekken in het jaar 2009, rekening houdend met de betalingstermijn voor de belastingplichtige (2 maanden) en de doorstortingstermijn voor de staat (1 maand). 2.3 De opcentiemen op de onroerende voorheffing 2.3.1 Doorsturing van de aanslagvoeten Ik verzoek de gemeenten nadrukkelijk om ervoor te zorgen dat de opcentiemen uiterlijk op 31 maart 2008 worden meegedeeld aan de volgende dienst : Agentschap Vlaamse Belastingdienst Onroerende Voorheffing t.a.v. Katrien Matthijs Bauwensplaats 13 9300 Aalst Dat houdt in dat de betreffende gemeenteraadsbeslissingen tijdig moeten worden bezorgd aan de provinciegouverneur, die, in eerste instantie, het bestuurlijk toezicht erop uitoefent. De gemeenten moeten in dat opzicht rekening houden met een termijn van 50 dagen, ingaande de derde dag volgend op het verzenden van het besluit naar de gouverneur, waarbinnen de gemeenteraadsbeslissing kan worden geschorst. Daarnaast moeten de besturen het bedrag aan geraamde ontvangsten inzake de opcentiemen op de onroerende voorheffing ten laatste op 15 mei van het betrokken boekjaar meedelen aan de bovenvermelde diensten (zelfde contactpersoon). De voorschotten in het kader van de inning van de OOV worden namelijk berekend op 95 % van de door de gemeenten meegedeelde geraamde jaarontvangsten in hun goedgekeurde budgetten. Bij gebrek aan mededeling op die vervaldag wordt de berekening van de voorschotten gebaseerd op de door het Vlaamse Gewest voor het betrokken aanslagjaar geraamde jaarontvangsten (artikel 29 van het decreet van 6 juli 2001 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2001). 2.3.2 Raming van de opbrengst De opbrengst van de opcentiemen op de onroerende voorheffing voor 2008 kan als volgt worden geraamd : (belastbaar KI 2007/belastbaar KI 2006) x netto-ontvangsten 2006 x 1,015 x (aantal opcentiemen 2008/aantal opcentiemen 2007). (NB : de kadastrale inkomens zijn niet geïndexeerd) In de meerjarenplanning raamt men de jaarlijkse meeropbrengst van de opcentiemen op de onroerende voorheffing, bij gelijkblijvende aanslagvoet, normaal op 1,5 %. Ook hier zijn afwijkende ramingen mogelijk, rekening houdend met eventuele voor de gemeente specifieke omstandigheden, mits daarvoor een gemotiveerde toelichting wordt verstrekt. Als de gemeenten in opeenvolgende jaren een trapsgewijze verhoging van de aanslagvoet doorvoeren, passen ze eerst de vastgestelde indexatie toe en vervolgens de verhoging van de aanslagvoet. De Vlaamse Belastingdienst zal in oktober van 2007 aan elke gemeente per brief een individuele raming meedelen. 2.3.3 De compensatie voor de derving van de opcentiemen op de onroerende voorheffing Op de federale begroting wordt jaarlijks een krediet uitgetrokken ter compensatie van de derving van de opcentiemen op de onroerende voorheffing voor de gemeenten op het grondgebied waarvan zich eigendommen bevinden die zijn vrijgesteld van de onroerende voorheffing. Het gaat om de eigendommen, vermeld in artikel 63 van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten (Belgisch Staatsblad, 17 januari 1989). Deze compensatie is afhankelijk van de aard van de vrijgestelde eigendommen. Zo komen sinds 1994 de eigendommen van gemeenschappen en gewesten, van regionale instellingen van openbaar nut en van regionale overheidsbedrijven niet meer voor compensatie in aanmerking. Het bijzonder compensatiekrediet dekt ten minste 72 % van de niet-geïnde gemeentelijke opcentiemen. De koninklijke besluiten tot berekening en verdeling van het bijzonder krediet voor een bepaald jaar worden doorgaans tegen het einde van dat jaar uitgevaardigd. Als de gemeenten op het ogenblik van de opmaak van hun budget reeds de compensatie kennen die hen voor 2007 is toegekend, schrijven ze hetzelfde bedrag in voor 2008. Is dat niet het geval, dan behouden ze het voor 2006 ingeschreven bedrag. 2.4 Heffing ter bestrijding van de leegstand en verkrotting van gebouwen en woningen Het decreet betreffende de leegstandsbelasting werd grondig gewijzigd door de decreten van 7 mei 2004, 24 mei 2004, 24 juni 2005 en 23 december 2005 en door het Besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2004. Die wijzigingen hebben een grote impact op de procedure van inventarisatie, op de berekening van de heffing en het toekennen van vrijstellingen. De gemeenten kunnen ervoor opteren om in te staan voor het inventarisbeheer. De vergoeding die de gemeenten ontvangen voor de administratiekosten die ze bij de uitvoering van dat decreet maken, wordt geboekt op artikel 040/465-01. Ik herinner aan de drie mogelijkheden voor heffing van een gemeentebelasting : - een eigen belasting - opcentiemen op de gewestelijke heffing - een eigen, vervangende belasting die, mits ze voldoet aan bepaalde voorwaarden, ook de gewestelijke heffing vervangt. 2.4.1 De eigen belasting De gemeenteraad bepaalt volledig zelf de modaliteiten van de belasting, de gemeente staat zelf in voor de vaststelling van leegstand en/of verwaarlozing, houdt zelf een inventaris bij, kohiert zelf in en int ook zelf. Eventuele bezwaren worden behandeld door het college van burgemeester en schepenen overeenkomstig de wet van 24 december 1996 betreffende de vestiging en de invordering van provincie- en gemeentebelastingen. De opbrengsten van deze belasting worden geboekt op artikel 040/367-15. 2.4.2 Opcentiemen op de gewestelijke heffing Het gaat om opcentiemen, dus zijn de modaliteiten van de belasting identiek aan die van de basisheffing, zoals die bepaald zijn in het decreet van 22 december 1995 en de daaropvolgende wijzigingen. De opbrengst van de opcentiemen wordt geboekt op artikel 040/377-02. De datum van ontvangst van die opbrengsten bepaalt het dienstjaar. De beslissing tot heffing van opcentiemen moet aangetekend aan de Vlaamse Belastingdienst bezorgd worden binnen de maand na de inwerkingtreding ervan maar alleszins vóór 31 januari 2008 (10), op straffe van niet-aanvaarding, en op het volgende adres : Agentschap Vlaamse Belastingdienst Ontvangkantoor leegstand woningen t.a.v. Els Slagmulder Koning Albert II-laan 19, bus 7 1210 Brussel 2.4.3 De vervangende eigen belasting De gewijzigde regelgeving biedt de gemeenten theoretisch ook de mogelijkheid om ter vervanging van de gewestelijke heffing voor hun grondgebied een eigen heffingsstelsel in te voeren. Daarvoor moeten de gemeenten wel voldoen aan verschillende voorwaarden, bepaald in artikel 25, tweede lid, van het gewijzigde decreet van 22 december 1995. Een eigen heffingsstelsel houdt in dat zowel de vaststelling van leegstand als verkrotting, het inventarisbeheer, het behandelen van de beroepen als de inning van de heffing volledig onder de gemeentelijke bevoegdheid vallen. Mits voldaan wordt aan de in het decreet gestelde voorwaarden zal het gewest beslissen om de gewestelijke heffing voor de gemeente op te heffen. De opbrengst van deze belasting wordt ook geboekt op artikel 040/367-15. 2.5 Heffing ter bestrijding van leegstand van bedrijfsruimten Ook hier kan de gemeente opteren voor de heffing van een bijkomende eigen gemeentebelasting ofwel voor de heffing van opcentiemen op de gewestelijke belasting. Beslissingen tot heffing van opcentiemen moeten uiterlijk 1 maart van het jaar waarin de belasting betekend wordt per aangetekende brief gestuurd worden (11) naar het volgende adres : Agentschap Vlaamse Belastingdienst Cel Leegstand Bedrijfsruimten t.a.v. Rudy De Meyer Koning Albert II-laan 19, bus 7 1210 Brussel 2. 6 Andere gemeentebelastingen Terzake verwijs ik naar de gecoördineerde omzendbrief BA 2004/03 van 14 juli 2004 en naar de recente omzendbrief BB 2007/02 van 2 februari 2007 waarin de heffing van de gemeentebelasting op GSM-masten en de gemeentebelasting op rechtspersonen wordt ontraden. Ik herinner ook aan het arrest van de Raad van State van 18 maart 2003, betreffende de algemene gemeentebelasting van Lanaken : daarin is geconcludeerd dat gemeentebelastingen waarin het kadastraal inkomen als berekeningsgrondslag is genomen, onverenigbaar zijn met artikel 464, 1° van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen. 3. Dividenden 3.1 Elia-heffing 3.1.1 Stand van zaken Het koninklijk besluit van 20 april 2005 tot bepaling van de toewijzingsmodaliteiten van de federale bijdrage ingesteld tot compensatie van de inkomstenderving van de gemeenten ingevolge de liberalisering van de elektriciteitsmarkt en het ministerieel besluit van 13 mei 2005 tot uitvoering van voornoemd koninklijk besluit werden bekend gemaakt in het Belgisch Staatsblad van respectievelijk 17 en 18 mei 2005. Het koninklijk besluit bevat de regels op basis waarvan de federale compensatiebijdrage (de zogenaamde Elia-heffing) onder de gemeenten moet worden verdeeld. 3.1.2 Inschrijving in het budget voor 2008 Artikel 3 van het koninklijk besluit van 20 april 2005 bepaalt dat het bedrag dat elke gemeente ontvangt, afhankelijk is van het aandeel in de winst voor de activiteit elektriciteit binnen de distributienetbeheerder(s) waarvan de gemeente deel uitmaakt. De geldende winstverdelingscriteria zijn die van het jaar waarop de federale compensatiebijdrage betrekking heeft. Artikel 2 van het koninklijk besluit stelt de heffing vast op 2,50 euro/MWh vanaf 1 juli 2007 tot 1 juli 2010 en 0 euro/MWh vanaf 1 juli 2010. Vanaf het boekjaar 2008 zal de Vlaamse overheid een volledige vrijstelling van deze heffing voorzien. Hetzelfde bedrag als de Elia-heffing zal in de Vlaamse begroting opgenomen worden en worden uitbetaald aan de gemeenten volgens het huidige verdelingsmechanisme. Aangezien de netbeheerders die gegevens aan de CREG moeten bezorgen, zijn de netbeheerders het best geplaatst om een benaderende raming te maken van het aandeel in de Elia-heffing dat aan iedere gemeente toekomt. De gemeenten voegen de door de netbeheerders verstrekte ramingen bij het budget. De ontvangsten worden ingeschreven op artikel 552/465-48 (AR 73405) van de gewone begroting, met als libellering : « Andere specifieke subsidies van de hogere overheden ». 3.2 Raming dividenden elektriciteit, gas en kabeldistributie Ook voor de dividenden elektriciteit, gas en eventueel kabeldistributie zullen de gemeenten de informatie bij de netbeheerders en bij de financieringsintercommunales opvragen om over de meest recente ramingen te beschikken. De gemeenten voegen de door hun intercommunales verstrekte ramingen bij het budget. 4. De uitgaven van de gewone dienst 4.1 De personeelsuitgaven Voor de algemene bepalingen verwijs ik naar rubriek III, punt 1, van deze omzendbrief. Ik vestig daarnaast de aandacht van de gemeentebesturen op de verplichting om, krachtens artikel 72 van het koninklijk besluit van 2 augustus 1990 houdende het Algemeen Reglement op de Gemeentelijke Comptabiliteit, de lonen van het onderwijzend personeel die als tegenwaarde van de gewone toelagen rechtstreeks aan de belanghebbenden worden betaald, gelijktijdig als uitgave en als ontvangst te boeken. 4.2 De werkingskosten Voor de algemene groeicoëfficiënt verwijs ik naar rubriek III, punt 3, van deze omzendbrief. 4.3 De overdrachten 4.3.1 De bijdrage aan het OCMW Als het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn niet over voldoende middelen beschikt om de uitgaven te dekken die voortkomen uit de vervulling van zijn opdracht, wordt het verschil gedragen door de gemeente. Die gemeentelijke bijdrage wordt in de uitgaven van het gemeentelijk budget ingeschreven. Dat is een wettelijke verplichting ingevolge artikel 106 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. De basisfinanciering voor het OCMW waarin het nieuwe decreet inzake het Vlaams Gemeentefonds vanaf 1 januari 2003 voorziet, verandert niets aan die verplichting. Aangezien alle OCMW's vanaf het jaar 1999 in principe een meerjarenplan moeten opmaken, schrijven de gemeenten in hun meerjarig financieel beleidsplan dezelfde bedragen in als in het meerjarenplan van het OCMW, voor zover de bedragen beschikbaar zijn op het ogenblik dat het budget wordt aangenomen. Omdat het meerjarenplan voor de OCMW's loopt over minstens drie jaar (boekjaar inbegrepen), worden, indien geen exacte cijfers in het meerjarenplan van het OCMW zijn opgenomen, voor de berekening van de bijdrage voor het vierde jaar de cijfers genomen van het derde jaar, vermeerderd met een realistisch percentage (dat onder meer rekening houdt met de evolutie van de personeelskosten, werkingskosten, enzovoort). Aan de OCMW's wordt echter, zoals voor de gemeenten, aanbevolen hun meerjarenplan op te stellen voor de volledige bestuursperiode (dus tot en met 2012). Als het OCMW nog geen meerjarenplan heeft opgesteld, wordt de bijdrage van het vorige jaar ingeschreven en eveneens aangepast met een realistisch percentage. Zodra de bedragen van het OCMW bekend zijn, moeten die bij de eerstvolgende budgetwijziging van de gemeente aangepast worden, zowel in het budget zelf als in het meerjarig financieel beleidsplan. 4.3.2. De ziekenhuistekorten Het voor 2008 in te schrijven bedrag wordt gevormd door het tekort of de tekorten die waarschijnlijk in 2008 ambtshalve van de rekening van de gemeente worden afgehouden. Het bedrag wordt geraamd op basis van de gegevens, verstrekt door het openbaar ziekenhuis. Aan de gemeenten die nog belangrijke ziekenhuistekorten van vorige jaren moeten vereffenen, wordt sterk aanbevolen het voorschot op het exploitatietekort vast te stellen op 90 % en dat voorschot als een vastgelegde uitgave in de rekening boeken. In de meerjarenplanning wordt de ontwikkeling van de ziekenhuistekorten gemotiveerd. 4.3.3 De gemeentelijke dotatie aan de politiezone 4.3.3.1 Raming van de gemeentelijke dotatie : overeenkomst tussen de politiebegroting en het gemeentelijk budget De lokale politie wordt niet uitsluitend gefinancierd met federale dotaties. De gemeentebesturen moeten de financiële middelen van de zones van de lokale politie aanvullen met een gemeentelijke dotatie. De gemeentelijke dotatie moet minimaal volstaan om de zone waar de gemeente deel van uitmaakt over voldoende middelen te laten beschikken zodat alle uitgaven kunnen worden gedekt die voortkomen uit de vervulling van haar wettelijk verplichte opdrachten. De regels voor de verdeling van de totale gemeentelijke dotatie binnen een meergemeentezone over de verschillende gemeenten van de zone zijn vastgelegd in het koninklijk besluit van 7 april 2005 houdende de nadere regels inzake de berekening en de verdeling van de gemeentelijke dotaties in de schoot van een meergemeentepolitiezone (Belgisch Staatsblad, 20 april 2005), gewijzigd door het koninklijk besluit van 5 augustus 2006 (Belgisch Staatsblad, 24 augustus 2006). De basisregel bestaat erin dat de gemeenten verondersteld worden zelf, in onderling akkoord, het percentage te bepalen van hun aandeel in de globale gemeentelijke dotatie (artikel 2 van het bovenvermelde KB). Als de gemeenten van de meergemeentezone niet tot een akkoord kunnen komen over de onderlinge verdeling, dan moet het verdelingspercentage vastgesteld in bijlage II van het voornoemde koninklijk besluit van 7 april 2005, zoals gewijzigd, worden toegepast. Hoewel dat verdelingspercentage in voornoemd KB slechts wordt vastgesteld tot en met het jaar 2006, voorziet de ministeriële omzendbrief PLP nr. 42 van 13 oktober 2006 (Belgisch staatsblad, 25 oktober 2006) betreffende de onderrichtingen voor het opstellen van de politiebegroting voor 2007 ten behoeve van de politiezones, in een verlenging met telkens één jaar tot de totstandkoming van de financieringswet (zie rubriek 2.8.3 « De gemeentelijke dotatie(s) » van bovenvermelde omzendbrief). Voor de goede werking van de lokale politiezones en van de gemeenten is het natuurlijk van groot belang dat de bedragen die in de politiebegroting zijn ingeschreven, de bedragen die in de gemeentelijke dotatiebesluiten zijn vastgesteld en de bedragen die in de gemeentelijke budgetten zijn ingeschreven, met elkaar overeenstemmen. Dat geldt uiteraard zowel bij het vaststellen van de initiële politiebegroting als van eventuele latere begrotingswijzigingen. Voor de goede gang van zaken moet in een meergemeentezone de gemeentelijke dotatie van elke gemeente niet alleen worden ingeschreven in de budgetten van de gemeenten, maar ook worden vastgesteld in een afzonderlijk besluit. De afzonderlijke vaststelling van de gemeentelijke dotatie is in het kader van de uitoefening van het bestuurlijk toezicht immers niet alleen onderworpen aan het gewestelijk algemeen toezicht, maar ook aan specifiek federaal toezicht voor wat de bepaling van het bedrag betreft. De budgetten van de gemeenten zelf zijn uitsluitend onderworpen aan het gewestelijk bestuurlijk toezicht. De besluiten over de vaststelling van de gemeentelijke dotatie moeten worden genomen vóór de zone en de gemeenten een beslissing nemen over hun begroting/budget. In de omzendbrief BA-2002/12 van 27 september 2002 betreffende het administratief toezicht op de gemeenten en de politiezones werd onder meer gesteld dat, indien er geen overeenstemming is tussen de gemeentelijke dotatie die in de begroting van de gemeente is ingeschreven en die welke in de begroting van de politiezone is ingeschreven, de gouverneur moet overgaan tot schorsing van het desbetreffende artikel in de gemeentebegroting of van de gemeentebegroting in haar geheel. In die omzendbrief worden eveneens twee situaties aangehaald waarin de gouverneur overgaat tot schorsing van het besluit betreffende de politiedotatie of het desbetreffende krediet in de gemeentebegroting, namelijk : - als de gemeenteraad een dotatie aan de zone vaststelt of opneemt in de gemeentebegroting die lager is dan de dotatie opgenomen in de politiebegroting die door de politieraad is goedgekeurd en eveneens uitvoerbaar geworden is na de uitoefening van het gewestelijk administratief toezicht; - als de gemeenteraad een dotatie aan de zone vaststelt of opneemt in de gemeentebegroting die onvoldoende is om het tekort van de zone dat voortvloeit uit uitgaven die strikt verplicht zijn door de politiewetgeving, op te vangen. De aangehaalde bepalingen van omzendbrief BA-2002/12 van 27 september 2002 wens ik als volgt aan te vullen en te verduidelijken : - Het spreekt voor zich dat het bedrag van de gemeentelijke dotatie dat opgenomen is in het specifieke dotatiebesluit van de gemeenteraad en het bedrag van de gemeentelijke dotatie dat opgenomen is in het budget van de gemeente, identiek moeten zijn. Het gaat hier om twee beslissingen van de gemeenteraad die uiteraard met mekaar moeten overeenstemmen. Als dat om onverklaarbare redenen toch niet het geval zou zijn, dan moet de gouverneur schorsend optreden tegen het budget van de gemeente om de gemeente uit te nodigen haar besluitvorming coherent te maken. - Op de bepaling van de gemeentelijke dotatie in het dotatiebesluit is specifiek federaal toezicht van toepassing. - Indien het bedrag dat de gemeente vaststelt als haar gemeentelijke dotatie niet overeenstemt met het bedrag dat de politiezone opneemt in haar politiebegroting, ontstaat er een bijzondere situatie. De gemeente kan alleen in welbepaalde gevallen verplicht worden tot het aanvullen van de financiële middelen van de politiezone, namelijk als kan worden aangetoond dat de middelen van de zone niet volstaan om de wettelijke verplichtingen na te komen. Sommige verplichtingen liggen vast, zoals het minimum aantal personeelsleden van de zone en de uitrusting die van hogerhand worden opgelegd. 4.3.3.2 Chronologische werkwijze - aanbevelingen Op dit ogenblik zijn maar een aantal elementen wettelijk vastgelegd, zoals het verplichte minimum aantal personeelsleden per zone. Omdat een aantal mogelijke uitgaven niet wettelijk verplicht zijn en omdat de zones zelf een aantal beleidsopties kunnen bepalen, is het uiteraard van het grootste belang dat er in de zones voldoende overleg plaats heeft tussen alle betrokken partijen en dat eenzijdige beslissingen vermeden worden. In de eengemeentezones treedt de gemeenteraad zelf op als politieraad zodat er zich hier normalerwijs geen tegenspraak kan voordoen tussen de gemeentelijke dotatie in het budget van de gemeente en de gemeentelijke dotatie in de politiebegroting. In de meergemeentezones zijn de politieraden samengesteld uit een aantal leden van de gemeenteraden die uiteraard de eerste verantwoordelijkheid dragen bij de vaststelling van de politiebegrotingen, de gevolgen voor de gemeentelijke dotaties en uiteindelijk de gevolgen voor de gemeentelijke financiën. Afgezien van de gestructureerde mogelijkheden tot overleg in de politieraad zelf, dring ik er bij de meergemeentezones op aan dat er ook voldoende grondig overleg plaats heeft tussen de gemeenten en hun politiezone. Het is wenselijk dat er eerst een consensus tot stand komt tussen de gemeenten en de politiezone over de omvang van de gemeentelijke dotatie, dat vervolgens elke betrokken gemeente het overeengekomen bedrag vastlegt in een gemeenteraadsbesluit en dat die bedragen daarna worden verwerkt in de budgetten van de gemeenten en in de begroting van de politiezone. 4.3.4 Subsidies aan gemeentelijke vzw's Het komt de democratisch verkozen raden van de gemeenten toe zelf de gemeentelijke aangelegenheden te regelen. Ik verwijs in dit verband naar artikel 245 van het gemeentedecreet. Ik verwijs ook in het bijzonder naar de omzendbrief BA 93/03 van 21 april 1993 met betrekking tot de problematiek van de uitoefening van het gemeentelijk beleid via zogenaamde paragemeentelijke vzw's. In die omzendbrief staat dat gemeenten alleen nog toelagen van meer dan 2500 euro aan dergelijke vzw's kunnen verstrekken als ze een aantal minimale bepalingen die eigen zijn aan de uitoefening van het openbaar bestuur, naleven. Met het oog op een correcte toepassing van die principes en de democratische controle door de verkozen raadsleden, voegen de gemeenten een afzonderlijke lijst bij hun budget, waarin de verenigingen zijn opgenomen die een gemeentelijke toelage van meer dan 2500 euro ontvangen. Andere nuttige documenten zoals uittreksels uit statuten, overeenkomsten of concessies moeten ter inzage in het gemeentehuis liggen. Ook de toezichthoudende overheid kan ze desgewenst opvragen. Ik wijs ook op de wet van 14 november 1983 betreffende de controle op de toekenning en de aanwending van sommige toelagen, die ook van toepassing is op de door de gemeenten gesubsidieerde rechtspersonen. Toelagen aan vzw's mogen alleen worden gebruikt voor het doel waarvoor ze werden verstrekt en de gemeenten zijn belast met de controle op de naleving ervan. 4.3.5 Subsidies aan private verenigingen Indien de gemeenteraad een reglement heeft aangenomen dat de verdeling van subsidies aan verenigingen regelt, mag in het budget een globaal krediet ingeschreven worden. Als de gemeente niet beschikt over een dergelijk reglement, dan moet het budget een lijst bevatten met de verenigingen waaronder het globale krediet wordt verdeeld. Die lijst vermeldt ook de bedragen die elke vereniging ontvangt. Bij gebrek aan zo'n lijst moet het budget zelf afzonderlijke artikels bevatten waarop elke subsidie nominatief aan een welbepaalde vereniging wordt toegekend. Het is duidelijk dat toelagen niet willekeurig mogen worden verdeeld onder de verenigingen die ervoor in aanmerking komen. Om aan de motiveringsplicht te voldoen, moet een verdeling berusten op objectieve gronden, die opgenomen zijn in het desbetreffende gemeenteraadsbesluit. 4.4 De schulduitgaven 4.4.1 De leningen Voor de leningen verwijs ik naar rubriek III, punt 5. Het is wenselijk dat alleen de opgenomen leninggelden als reële schuld tot uiting worden gebracht en als een vastgesteld recht worden geboekt. De gemeenten moeten wel het volledige recht tot het opnemen van de gelden kunnen opvolgen. De nodige informatie hierover kan worden opgenomen in de toelichting bij de jaarrekening. 4.4.2 Bijdragen aan intercommunale verenigingen Voor hun werkingsbijdragen gebruiken de gemeenten de economische code 435-01 « Bijdrage in de werkingskosten gedragen door andere overheidsinstellingen », terwijl voor het eventuele negatieve saldo na het afsluiten van de jaarrekeningen de code 222-01 « Bijdrage in het exploitatieverlies » gebruikt moet worden. 4.5 De overboekingen van de gewone naar de buitengewone dienst Overboekingen van de gewone naar de buitengewone dienst moeten altijd volledig worden uitgevoerd tijdens het dienstjaar, namelijk de vastlegging en aanrekening van de uitgave op de gewone dienst, en de vaststelling van het recht op de buitengewone dienst. Een eventueel overschot dat ontstaat op de buitengewone dienst - als de aanrekeningen op de buitengewone dienst voor de investeringsuitgaven uiteindelijk kleiner zijn dan de vastgelegde bedragen - kan de gemeenteraad bestemmen voor het financieren van andere buitengewone uitgaven. II. INSTRUCTIES VOOR DE MEERJARENPLANNEN EN DE BUDGETTEN VAN DE OPENBARE CENTRA VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN Met het decreet van 17 december 1997 houdende wijziging van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn is de zogenaamde nieuwe OCMW-boekhouding ingevoerd. Sinds het boekjaar 2003 werken alle Vlaamse OCMW's met de nieuwe OCMW beleidsinstrumenten (NOB). De wetgeving waarnaar in dit deel van de omzendbrief wordt verwezen en ook de uitgewerkte voorbeelden en toelichtende documenten kunnen op het volgende internetadres geraadpleegd worden : http://www.e3pos.be. 1. Meerjarenplan Alle Vlaamse OCMW's moeten hun beleid voor langere termijn vastleggen in een meerjarenplan. Het meerjarenplan van de OCMW's is meer dan een financieel meerjarenplan. Sedert het boekjaar 2003 gelden voor alle OCMW's, naast de OCMW-wet, de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 1997 en van het ministerieel besluit van 20 juni 2001 betreffende de boekhouding en de administratieve organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. 1.1. Vorm Het meerjarenplan bestrijkt een periode van minstens drie en hoogstens zes boekjaren. Ik beveel de besturen echter aan om een meerjarenplan op te maken voor de volledige bestuursperiode (dus tot en met 2012), conform de aanbeveling voor het meerjarig financieel beleidsplan van de gemeenten. Het meerjarenplan bestaat uit een strategische nota en een financiële nota. Beide onderdelen hangen intern samen en sluiten op elkaar aan. Het meerjarenplan moet eveneens aansluiten op de andere plannen van de lokale overheden, dus ook op die van de gemeente. Het meerjarenplan wordt in zijn geconsolideerde vorm ter goedkeuring voorgelegd aan de raad voor maatschappelijk welzijn. Het gedetailleerde meerjarenplan ligt uiteraard ter inzage van de raadsleden. Naar bestaande plannen of naar andere documenten kan eenvoudig worden verwezen. Uiteraard moeten de stukken waarnaar wordt verwezen, ter beschikking van de gebruiker liggen. Tabellen, kerncijfers en grafieken kunnen het best zo eenvoudig mogelijk worden gehouden. In de toelichtingen wordt onder meer verduidelijkt van welke hypotheses men vertrekt. Sinds de wijzigingen aan de organieke wet van 8 juli 1976 door het decreet van 5 juli 2002 (Belgisch Staatsblad, 14 augustus 2002) van kracht zijn geworden, moet het meerjarenplan als bijlage een protocol bevatten. Het garanderen van de sociale grondrechten voor iedereen via een geïntegreerd lokaal sociaal beleid is hoe langer hoe meer een taak van zowel de gemeente als het OCMW. Het is vooral om die reden dat het protocol expliciet de taakafspraken en de concrete samenwerking tussen de gemeente en het OCMW voor de legislatuur moet omvatten. Door een dergelijk protocol kunnen de lokale besturen erover waken dat overlappingen worden vermeden, maar ook - en dat is het belangrijkst - dat alle aspecten van het sociale beleid worden opgenomen. Dat protocol sluit trouwens perfect aan bij artikel 12 van het decreet van 5 juli 2002 tot vaststelling van de regels inzake de dotatie en de verdeling van het Vlaams Gemeentefonds. Dat artikel bepaalt dat elke gemeente kan verzoeken om een deel van zijn aandeel in het Gemeentefonds rechtstreeks op de rekening van het OCMW te storten. De beslissing daartoe moet uitgaan van de OCMW-raad en de gemeenteraad. Het Gemeentefonds wordt uitvoerig toegelicht in rubriek III, punt 4. 1.2. Inhoud Het meerjarenplan bestaat uit een strategische nota en een financiële nota. De strategische nota De strategische nota is het instrument bij uitstek voor de politieke en ambtelijke leiding om het centrum en de verbonden instellingen te sturen. Het is de schriftelijke neerslag van het strategisch plan van het openbaar centrum. In de strategische nota, die vertrekt van de afspraken in het protocol, worden de beleidsopties inzake de externe en de interne werking van het centrum toegelicht. Die nota bevat onder meer de volgende gegevens : - de toekomstige prioriteiten van het OCMW; - de werkwijze en de te volgen procedures om die prioriteiten te realiseren; - de voortgangscontrole op de effectieve realisatie van die prioriteiten; - met betrekking tot de interne werking : de wijze waarop de performantie van de organisatie minstens behouden en eventueel verbeterd kan worden; - met betrekking tot de externe werking : de behoeften van het OCMW en de mate waarin het OCMW die behoeften wil en kan invullen. In de strategische nota zal in elk geval rekening worden gehouden met elementen uit het zorgstrategisch plan en de personeelsbehoeftenstudie. De samenhang tussen de werking en de beleidsinitiatieven van de gemeente en het OCMW moet zeker ter sprake komen in de strategische nota. In de strategische nota kan onder meer aandacht geschonken worden aan : - de dienstverlening (het aanbod en het tariefbeleid); - de erkenningen en subsidiëringen; - het personeelsbeheer; - het schuldbeheer; - de overdrachten, en in het bijzonder de ontwikkeling van de nettokosten inzake de maatschappelijke dienstverlening; - de telecommunicatie (Internet) en de automatisering; - de investeringsprojecten, onder meer VIPA; - de optie tot het al dan niet uitbesteden van bepaalde taken. De financiële nota De financiële weerslag van de beleidsopties moet terug te vinden zijn in de financiële nota. Die bestaat uit de volgende onderdelen : . Exploitatieplanning De exploitatieplanning bevat de raming van de opbrengsten en de kosten, waarbij onder meer rekening wordt gehouden met de opties uit de strategische nota en met de financiële weerslag van de uitvoering van geplande investeringsprojecten. De kosten en de opbrengsten worden geconsolideerd weergegeven volgens schema 1 van het ministerieel besluit van 20 juni 2001. De planning bevat minstens de cijfers van de rekening 2006, het budget 2007, inclusief de al doorgevoerde budgetaanpassingen, en de prognoses voor 2008, 2009 en 2010. Zoals bovenvermeld, verdient het aanbeveling de planning te laten lopen tot en met 2012. . Planning van investeringen en desinvesteringen De planning van investeringen en desinvesteringen bevat de vooruitzichten inzake investeringen en de financiering daarvan, eventueel door middel van desinvesteringen. Ze wordt opgesteld volgens schema 2 van het ministerieel besluit van 20 juni 2001. De tabellen bevatten minstens de cijfers voor 2008, 2009 en 2010 en bij voorkeur ook de cijfers voor 2011 en 2012. Om het schema te kunnen opstellen moet van alle investeringsprojecten, zowel van de nieuwe als van de lopende projecten, een uitsplitsing over de jaren heen geraamd worden volgens de geplande realisatietermijn. Elk van de kolommen van de meerjarenplanning bevat dan de som van de overeenstemmende kolommen van de onderscheiden investeringsprojecten. . Liquiditeitenplanning, cashflow en berekening van de gemeentelijke bijdrage Deze planning wordt opgesteld volgens schema 3 van het ministerieel besluit van 20 juni 2001. Voetnoot 10 van het ministerieel besluit bepaalt dat tabel 3, de liquiditeitentabel, pas verplicht wordt op een later te bepalen datum. De besturen zijn dus wel verplicht om tabel 1, 2 en 4 van schema 3 op te stellen. Bovendien wordt hen aangeraden ook deel 1, 2, 3 en 4B van tabel 3 op te stellen. Die onderdelen geven immers een wezenlijke meerwaarde aan de planning en vergen geen bijzondere inspanningen. Om deel 4A te kunnen opstellen is de beschikking over een gebudgetteerde balans zo goed als onontbeerlijk. Dit onderdeel is een goed instrument om de behoefte aan werkkapitaal te verantwoorden. OCMW's die aan de gemeente een tegemoetkoming in het werkkapitaal vragen, kunnen dus het best ook dit onderdeel opstellen om zo hun vraag te ondersteunen. Bovendien kan op die manier een gestructureerde verantwoording worden gegeven van het overzicht van de totale gemeentelijke bijdrage in tabel 4. De tabellen bevatten minstens de cijfers van de rekening 2006, het budget 2007, inclusief de al doorgevoerde budgetwijzigingen, en de prognoses voor 2008, 2009 en 2010 en bij voorkeur ook 2011 en 2012. 1.3. Procedure De opmaak van een meerjarenplan is een teamgebeuren. De secretaris draagt de eindverantwoordelijkheid over het voorontwerp. Het is wenselijk om bij het planningsproces de belangrijkste budgethouders en diensthoofden te betrekken. Het voorontwerp van meerjarenplan wordt, na advies van de budgetcommissie, voorgelegd aan het advies van het college van burgemeester en schepenen. De budgetcommissie zal onder andere onderzoeken in welke mate het meerjarenplan in overeenstemming is met de overige meerjarenplannen waarmee de lokale overheid wordt geconfronteerd. Indien de OCMW-voorzitter nog niet is toegevoegd aan het college van burgemeester en schepenen, wordt het voorontwerp van meerjarenplan, na advies van de budgetcommissie, voorgelegd aan het overlegcomité. Hierna stelt de raad voor maatschappelijk welzijn het meerjarenplan vast en bezorgt het overeenkomstig artikel 88, § 1, van de OCMW-wet vóór 15 september ter goedkeuring aan de gemeenteraad. De gemeenteraad kan beslissen dat het meerjarenplan moet worden aangepast. Om te vermijden dat de gemeenteraad daartoe beslist en daardoor de taakafspraken die werden gemaakt mogelijk op de helling zet, kan er het best voor gezorgd worden dat het plan de resultante is van een zo ruim mogelijke consensus. De voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn licht het meerjarenplan toe op de gemeenteraadsvergadering waarop het geagendeerd is. Dezelfde procedure geldt voor OCMW's die hun meerjarenplan wijzigen, overeenkomstig artikel 88 van de OCMW-wet. Het meerjarenplan moet ten minste drie jaar bestrijken, vanaf het jaar van het budget. Met betrekking tot het budget 2008 moet het meerjarenplan dus de periode van 2008 tot en met 2010 omvatten. Zoals bovenvermeld, wordt het echter sterk aanbevolen het meerjarenplan op te stellen voor de duur van de volledige bestuursperiode, d.w.z. tot en met het jaar 2012. Als het meerjarenplan geen drie jaar meer bestrijkt, moet een aangepast meerjarenplan ter goedkeuring aan de gemeenteraad worden voorgelegd. De jaarlijkse actualisatie van het meerjarenplan is geen verplichting als er nog drie nuttige jaren resten. Toch is het wenselijk het meerjarenplan jaarlijks waar nodig bij te sturen. De actualisering van het meerjarenplan kan er bijvoorbeeld in bestaan dat de cijfers van het laatste budget vervangen worden door de ondertussen bekende rekeningcijfers. Indien het meerjarenplan wordt geactualiseerd, moet het opnieuw ter goedkeuring aan de gemeenteraad worden voorgelegd. 2. Het budget 2.1 Vorm De OCMW's stellen hun budgetten op in de vorm die vereist wordt krachtens het besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 1997 en het ministerieel besluit van 20 juni 2001 betreffende de boekhouding en de administratieve organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Het budget omvat de beleidsnota, het exploitatiebudget, de investeringsbudgetten en het liquiditeitenbudget, met daarbij de vastlegging van de gebudgetteerde gemeentelijke bijdrage. . De beleidsnota sluit aan op de strategische nota uit het meerjarenplan. Ze omvat minimaal een bespreking van de beleidsdoelstellingen van het centrum en van de operationele doelstellingen van elke budgethouder, een bespreking van de gebudgetteerde kosten en opbrengsten per activiteitencentrum, een analyse van de kostprijzen en een bespreking van de financiële toestand van het centrum. . Het exploitatiebudget omvat de raming van alle kosten en opbrengsten van zowel de bestaande als de nieuw geplande activiteiten. Het wordt opgesteld zowel per activiteitencentrum als voor het centrum in zijn geheel, volgens schema 5 van het ministerieel besluit van 20 juni 2001. Het bevat minstens de cijfers van de rekening 2006, het budget 2007, inclusief de al doorgevoerde budgetwijzigingen, en de prognose voor 2008. Het exploitatiebudget wordt opgesteld met gebruik van alle rubrieken van het schema, inclusief die van de resultaatsverwerking. Aangezien met de NOB gestreefd wordt naar een outputbudgettering is het immers wenselijk dat in de budgetten de relatie kan worden gelegd tussen de gemeentelijke bijdrage en de operationele doelstellingen. . Het investeringsbudget wordt opgesteld per project volgens schema 6 van het ministerieel besluit van 20 juni 2001. Afhankelijk van de meerjarenplanning is het noodzakelijk de realisatietermijn zorgvuldig in te schatten. . Het liquiditeitenbudget wordt alleen opgesteld voor het OCMW in zijn geheel, volgens schema 7 van het ministerieel besluit van 20 juni 2001. Voetnoot 30 van het ministerieel besluit bepaalt dat tabel 3, de liquiditeitentabel, pas verplicht wordt op een later te bepalen datum (cf. meerjarenplan : liquiditeitenplanning, cashflow en berekening van de gemeentelijke bijdrage). De besturen zijn dus wel verplicht tabel 1, 2 en 4 op te stellen. Bovendien wordt hen aangeraden ook deel 1, 2, 3 en 4B van tabel 3 op te stellen. Die onderdelen geven immers een wezenlijke meerwaarde aan het budget. De tabellen bevatten minstens de cijfers van de rekening 2006, het budget 2007, inclusief de al doorgevoerde budgetwijzigingen, en de prognose voor 2008. 2.2 Inhoud Voor de inhoudelijke aspecten van het budget van het OCMW verwijs ik naar de gemeenschappelijke onderrichtingen van rubriek III. In de marge hiervan wens ik er de aandacht op te vestigen dat het van primordiaal belang is dat het budget een getrouw beeld weergeeft. 2.3 Procedure De OCMW-secretaris maakt, bij voorkeur in samenwerking met de ontvanger en de budgethouders of de diensthoofden, het voorontwerp van het budget op. Na het advies van de budgetcommissie wordt het voorgelegd aan het advies van het college van burgemeester en schepenen. Indien de OCMW-voorzitter niet is toegevoegd aan het college van burgemeester en schepenen, gebeurt de voorlegging aan het overlegcomité. Het door de raad voor maatschappelijk welzijn vastgestelde budget wordt voor 15 november aan de gemeenteraad bezorgd. De voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn licht het budget toe op de gemeenteraadsvergadering. Als het budget binnen de grenzen blijft van de gemeentelijke bijdrage die in het meerjarenplan is opgenomen, neemt de gemeenteraad er alleen kennis van. Als het budget meer bedraagt dan de gemeentelijke bijdrage die in het meerjarenplan is opgenomen, kan de gemeenteraad die afwijking vaststellen en op die punten het budget aan het meerjarenplan aanpassen. Een budget blijft binnen het meerjarenplan als de bedragen in schema 7, tabel 4, van de bijlage van het ministerieel besluit van 20 juni 2001 kleiner zijn dan of gelijk zijn aan de overeenstemmende bedragen in schema 3, tabel 4, van diezelfde bijlage. Tot slot wens ik de OCMW-besturen te wijzen op artikel 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 1997 betreffende de boekhouding en de administratieve organisatie van de OCMW's, dat bepaalt dat vóór de definitieve vaststelling van het exploitatiebudget, de besturen door middel van voorlopige kredieten uitgaven mogen doen waarvoor een uitvoerbaar krediet uitgetrokken was op het exploitatiebudget van het vorige boekjaar. Die voorlopige kredieten mogen, per verlopen of begonnen maand, niet meer bedragen dan een twaalfde van het exploitatiebudget van het vorige boekjaar, evenwel met een maximum van drie twaalfden. 3. Partnerschap Een overleg tussen het OCMW en de gemeente dat erop gericht is een zo ruim mogelijk draagvlak te scheppen, is een noodzakelijke voorwaarde voor het opstellen van een degelijk meerjarenplan. Het kan ook vermijden dat het meerjarenplan door de gemeenteraad moet worden aangepast. Als het budget nadien de grenzen van de gemeentelijke bijdrage respecteert, wordt het alleen ter kennisgeving voorgelegd. Externe ontwikkelingen en het doelgericht bereiken van een visie op lange termijn zijn het uitgangspunt van de besprekingen. De gemeente en het OCMW zouden daarbij evenwaardige partners moeten zijn. In dat verband is het eveneens noodzakelijk dat beide besturen elkaar zo snel mogelijk de noodzakelijke documenten, waaronder de rekening, toesturen. Op die manier kunnen beide besturen zo snel mogelijk een correct beeld krijgen van de financiële toestand van het andere bestuur. Ook het gemeentedecreet hecht aan de samenwerking tussen beide openbare besturen het nodige belang. Titel IX van het gemeentedecreet (art. 270 (12) en 271) met betrekking tot de samenwerking tussen gemeente en OCMW, werd reeds volledig in werking gesteld. Ook het decreet van 7 juli 2006 tot wijziging van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (Belgisch Staatsblad, 30 augustus 2006), voegde in de organieke wet een hoofdstuk VIIbis in over de samenwerking van het OCMW met de gemeente. 3.1 De budgetcommissie De rechtsgrond voor de budgetcommissie is te vinden in artikel 87bis van de OCMW-wet. De budgetcommissie bestaat minimaal uit de voorzitter, de secretaris en de ontvanger. De raad voor maatschappelijk welzijn bepaalt in zijn huishoudelijk reglement de verdere voorwaarden voor de samenstelling van de commissie. Als de ambtenaren die budgethouder zijn, niet eerder in de procedure betrokken zijn geweest, is het aan te bevelen om hen deel te laten uitmaken van de commissie. De budgetcommissie komt samen op verzoek van de voorzitter of de secretaris. Ze adviseert schriftelijk over het voorontwerp van het meerjarenplan en van de budgetten. Ze verleent haar advies voor die documenten aan een ander orgaan worden voorgelegd. 3.2 De toevoeging van de OCMW-voorzitter aan het college van burgemeester en schepenen - het overlegcomité Ik vestig de aandacht erop dat in het decreet van 7 juli 2006 tot wijziging van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn de bepalingen met betrekking tot het overlegcomité zijn opgeheven voor die gemeenten die hun OCMW-voorzitter hebben toegevoegd aan het college van burgemeester en schepenen. Het advies van het overlegcomité wordt in dat geval vervangen door een advies van het college van burgemeester en schepenen. Het college brengt zijn advies uit binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van de ontwerpbeslissing. Bij gebrek aan kennisgeving van het advies aan het openbaar centrum binnen de voorgeschreven termijn, kan aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan. Het advies van het college van burgemeester en schepenen wordt bij de beslissing gevoegd als die aan de toezichthoudende overheid wordt toegestuurd. Als aan de adviesvereiste is voorbijgegaan, wordt dat in het overwegende gedeelte van de beslissing vermeld. 4. Elektronische vorm van de jaarrekening van het OCMW Conform het besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 1997 betreffende de boekhouding en de administratieve organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 31 maart 2000, 1 juni 2001 en 20 juli 2006, worden de besluiten van de Raad voor Maatschappelijk Welzijn betreffende de jaarrekeningen binnen de termijn die is vastgesteld in artikel 89, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, in ingebonden vorm op papierdrager en in elektronische vorm bezorgd aan de provinciegouverneur. Het protocol van die elektronische rapportering wordt bepaald in het ministerieel besluit van 20 juli 2006 tot vaststelling van de bestandsarchitectuur (Belgisch Staatsblad, 13 oktober 2006). De verplichting om de jaarrekening ook in elektronische vorm te bezorgen is nieuw en geldt vanaf het boekjaar 2006. De elektronische rapportering moet gelijktijdig met de papieren jaarrekening aan de gouverneurs worden bezorgd. Voor een verdere toelichting over de inhoud van de bovenvermelde besluiten en de praktische toepassing ervan verwijs ik naar mijn brief hierover van 9 juli 2007 aan de OCMW-ontvangers. Voor meer informatie kunnen de OCMW-besturen terecht bij de heer Gerd Dottermans (tel. 02-553 39 81, e-mail : gerd.dottermans@bz.vlaanderen.be). III. GEMEENSCHAPPELIJKE INSTRUCTIES VOOR GEMEENTEN EN OCMW'S 1. Personeel 1.1 Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de rechtspositieregeling van het gemeentepersoneel. De Vlaamse Regering heeft op 13 juli 2007 zijn principiële goedkeuring gegeven aan het raambesluit betreffende de voorwaarden waaraan de rechtspositieregeling van het gemeentepersoneel voortaan zal moeten voldoen. Het wordt nu aan de eindonderhandeling in het comité C1 en aan de adviesvraag van de Raad van State onderworpen met het oog op de definitieve goedkeuring ervan door de Vlaamse Regering. De totstandkoming van dit besluit is dus in een ver gevorderd stadium. Het besluit zal een aantal voorwaarden bepalen en in vele gevallen aan de besturen ruime invulmogelijkheden bieden. Eventuele financiële gevolgen zullen afhangen van de keuzes die de besturen zelf zullen maken. Het raambesluit houdt echter rekening met de bestaande toestanden en maakt het doorgaans mogelijk dat bestaande regelingen zonder meerkost kunnen worden ingepast. Bovendien is ook in een ruime overgangsperiode voorzien voor de implementatie van grote delen van het besluit. Afhankelijk van de keuzes die de besturen zullen maken en de snelheid waarmee ze dat zullen doen, is het niet volledig uitgesloten dat hier of daar kleine kostenverhogingen ontstaan. Die kunnen de besturen dan verwerken in een budgetwijziging, al dan niet gekoppeld aan een wijziging van het meerjarig financieel beleidsplan. In voorkomend geval zullen de OCMW's vergelijkbare wijzigingen moeten verwerken. In principe geniet immers het personeel van het OCMW automatisch hetzelfde administratief en geldelijk statuut als het personeel van de gemeente behalve in de uitzonderingsgevallen vermeld in artikel 42 van de organieke OCMW-wet. 1.2 Ontwikkeling van de personeelsuitgaven Voor actuele informatie inzake de ontwikkeling van de personeelsuitgaven en een juiste inschatting van de stijging van de werkelijke loonkosten, raad ik de besturen aan op geregelde tijdstippen de website van het Federaal Planbureau te raadplegen op http ://www.plan.be. Op basis van de maandvooruitzichten van het Planbureau (op basis van de beschikbare gegevens op 2 juli 2007) zou de gemiddelde jaarinflatie (op basis van het indexcijfer der consumptieprijzen) in 2007 op 1,7 % en in 2008 op 2,1 % uitkomen (tegenover 1,79 % in 2006). De groeivoet van de gezondheidsindex, die onder meer gebruikt wordt bij de berekening van de indexering van lonen, sociale uitkeringen en huurprijzen, zou in 2007 gemiddeld 1,7 % en in 2008 2,0 % bedragen (tegenover 1,77 % in 2006). In september 2006 werd de spilindex voor de overheidswedden en sociale uitkeringen overschreden. Overeenkomstig de maandvooruitzichten voor de gezondheidsindex zou de volgende overschrijding van de spilindex (momenteel 106,22) plaatsvinden in januari 2008. Als gevolg daarvan zouden de sociale uitkeringen in februari 2008 en de wedden van het overheidspersoneel in maart 2008 met 2 % aangepast worden aan de gestegen levensduurte. Het Planbureau plant een volgende aanpassing van bovenstaande ramingen begin september 2007. 2. Pensioenen De lokale besturen bepalen zelf op welke wijze ze financiële middelen reserveren voor hun toekomstige pensioenuitgaven (mandatarissen en personeel). Dat kan onder meer door binnen hun eigen budget een reservefonds aan te leggen. Het bestuur kan ook een overeenkomst met een verzekeringsinstelling sluiten voor de opbouw van een pensioenfonds (fondsen voor collectieve kapitalisatie). Als de besturen voor die laatste mogelijkheid opteren, geldt uiteraard het principe van de mededinging bij het toewijzen van het contract. Een belangrijk uitgangspunt bij beide opties is dat de middelen worden uitgetrokken voor het financieren van de pensioenuitgaven en dat zij niet voor andere zaken kunnen worden aangewend. Bovendien moet het bestuur de zekerheid kunnen hebben dat de bedragen zullen volstaan om aan de toekomstige pensioenuitgaven te voldoen. Bij het instappen in een pensioenfonds kunnen er engagementen onderschreven worden die moeten zorgen voor een bepaald dekkingspercentage van de pensioenverplichtingen over een termijn van een welbepaald aantal jaren, door een optimale kapitalisatie van de toevertrouwde middelen. Het aanbod aan beleggingsmogelijkheden neemt steeds verder uitbreiding. Toch moeten de besturen de volgende basisbeginselen in acht nemen : - speculatieve beleggingen met gemeentegelden zijn niet verenigbaar met de opdrachten van een openbaar bestuur, dat tot doel heeft het algemeen belang optimaal te behartigen; - de deelneming in de kapitaalvorming van privaatrechtelijke vennootschappen moet uitdrukkelijk bij wet of decreet zijn toegestaan (ik verwijs hiervoor naar de artikelen 195 en 245 van het gemeentedecreet); - de instelling waarbij belegd wordt, moet erkend zijn door de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen. Uit het bovenstaande volgt dat alleen pensioenfondsen die een minimumrendement garanderen (vb. fondsen in het kader van Tak 21) kunnen worden aanvaard. Daarnaast moeten de gemeentebesturen ook rekening houden met de huidige bepalingen van het Algemeen Reglement op de Gemeentelijke Comptabiliteit. Daarin wordt gesteld dat beleggingen op meer dan één jaar tot de buitengewone dienst van de begroting behoren, terwijl de gerealiseerde renteontvangsten in de gewone dienst worden geboekt. Tot slot wil ik erop wijzen dat de besturen zelf verantwoordelijk blijven voor hun beleggingsbeslissingen. 3. De werkingskosten Bij een gelijkblijvend beleid wordt de normale stijging van de werkingskosten voor 2008 door het Planbureau op gemiddeld 2,1 % geraamd. De budgetten houden daarmee rekening. De inflatie zou zich in de periode 2007-2012 stabiliseren op gemiddeld 1,9 %. Dat percentage kan worden gehanteerd in de meerjarenplanning. Toch beveel ik aan dat de besturen de verschillende dienstverleningspakketten grondig doorlichten en hun beleid waar nodig bijsturen. Eventuele nieuwe beleidsmaatregelen, besparingen of nieuwe uitdagingen worden in het beleidsplan toegelicht. 4. Het Gemeentefonds De ramingen die de besturen in hun budgetten en meerjarenplannen mogen inschrijven, werden door het Agentschap voor Binnenlands Bestuur meegedeeld bij brief van 9 juli 2007. Een eventuele wijziging van de verdeelsleutel tussen gemeente en OCMW met betrekking tot het gemeentelijke aandeel 2008 moest vóór 30 juni 2007 aan het Agentschap voor Binnenlands Bestuur worden meegedeeld. Het meegedeelde verdelingspercentage of bedrag blijft ook behouden voor de verdeling van het Gemeentefonds voor 2009, tenzij de gemeenteraad en de OCWM-raad samen beslissen de verdeelsleutel te wijzigen en die aan het Agentschap voor Binnenlands Bestuur meedelen vóór 30 juni 2008. De middelen uit het Gemeentefonds die aan het OCMW worden toegekend, worden rechtstreeks gestort op de rekening van het OCMW. Ik verzoek de besturen ook het Agentschap voor Binnenlands Bestuur zo snel mogelijk op de hoogte te brengen van een eventuele wijziging van rekeningnummer waarop de gelden uit het Gemeentefonds moeten worden gestort. Het OCMW kan, zoals de gemeente, vrij beschikken over het toegekende aandeel uit het Gemeentefonds en kan het geheel of gedeeltelijk bestemmen voor exploitatie-uitgaven of voor investeringen. Het deel dat voor exploitatie wordt gebruikt, wordt in het exploitatiebudget ingeschreven onder de rubriek I.E. « Andere opbrengsten », algemene rekening 740 « werkingssubsidies ». Het deel dat voor investeringen wordt aangewend, wordt in deel 3 « Financiering » van het investeringsbudget van het desbetreffende project ingeschreven onder rubriek 3.B « Subsidies andere overheden », algemene rekening 1501 « Investeringssubsidies ». De opbrengst van het deel van het fonds dat het OCMW beschouwt als een algemene financiering, wordt ingeschreven op het centraal activiteitencentrum « Algemeen bestuur ». De ontvangsten uit het Gemeentefonds die worden aangewend voor de financiering van investeringsprojecten, worden ingeschreven op de activiteitencentra waarop de kosten van die projecten worden geboekt. 5. De schulduitgaven De besturen schrijven in hun budgetten voor 2008 en in hun meerjarenplanning een realistische intrestlast in, gestaafd door een individuele berekening. Daarin houden ze rekening met de lopende leningcontracten, de nieuw op te nemen leningen, de looptijd van de leningen, de herzieningsperiodiciteiten en de ontwikkeling van de rentevoeten. Het Planbureau stelt in zijn Economische Vooruitzichten 2007-2012 het gemiddelde niveau van de Belgische langetermijnrente op 10 jaar in die periode vast op 4,4 %. Die rentevoet is zuiver indicatief. 6. Overgang naar de Single Euro Payments Area (SEPA) Officieel moet volgens de Europese autoriteiten de Single Euro Payments Area (SEPA) tegen 2010 gerealiseerd zijn. Er zou dan binnen de EU één open eengemaakte betaalmarkt moeten bestaan. SEPA is een feit wanneer eindgebruikers in de hele eurozone vanop 1 bankrekening of met 1 kaart even gemakkelijk en veilig kunnen betalen als vandaag in eigen land. De overgang naar de eengemaakte euro-betaalruimte wordt ten volle ondersteund door de verschillende betrokken Belgische economische actoren. De Europese betaalinstrumenten van SEPA zullen vanaf januari 2008 de huidige, nationale betaalinstrumenten beginnen te vervangen. De Belgische overheidssector komt tegemoet aan de verwachtingen van de Europese Commissie en van het Eurosysteem om bij de overgang naar SEPA een voortrekkersrol te spelen en heeft 1 januari 2009 bepaald als streefdatum waarop alle overheidsbetalingen volgens de SEPA-betaalinstrumenten zullen verlopen. De invoering van de SEPA impliceert een verandering van gewoonten, werkmethodes en informaticasystemen bij de besturen, waarvan de voorbereiding het best zo vlug mogelijk wordt opgestart. Ik beveel de besturen daarom aan zich hierover te informeren bij hun bankinstellingen en informaticacentra. Het gaat onder meer over : - het opnemen van IBAN- en BIC-codes bij betalingsopdrachten, - een nieuw type van overschrijvingsformulier, - een aanpassing van de wijze waarop rekeninguittreksels in de boekhouding worden verwerkt (vandaag CODA), - een nieuw systeem voor de domiciliëringen waarbij niet langer de bank maar wel de schuldeiser de domiciliëringsgegevens zal beheren. Informatie over SEPA is ook beschikbaar op het volgende internetadres : http://www.sepabelgium.be IV. SLOTOPMERKINGEN Het Agentschap voor Binnenlands Bestuur en de provinciale afdelingen, die belast zijn met de voorbereiding van het toezicht op de budgetten en meerjarenplannen, staan steeds ter beschikking voor verdere toelichtingen bij deze omzendbrief. De uitoefening van het eerstelijntoezicht werd samengebracht bij de gouverneurs, als commissarissen van de Vlaamse Regering. De contactgegevens van mijn kabinet : De heer Marino Keulen Vlaams minister van Binnenlands bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering Kreupelenstraat 2, 1000 Brussel Tel. : 02-552 65 00 Fax : 02-552 65 01 E-mail : kabinet.keulen@vlaanderen.be De contactgegevens van het Agentschap voor Binnenlands Bestuur : Boudewijngebouw, Boudewijnlaan 30 bus 70, 1000 Brussel Tel. : 02-553 39 24 (directoraat-generaal) Fax : 02-553 43 01 (algemeen faxnummer) E-mail : binnenland-financies@vlaanderen.be Ik verzoek de gouverneurs de datum van bekendmaking in het Belgisch Staatsblad op te nemen in het bestuursmemoriaal. Ik zend alle besturen rechtstreeks een afschrift van deze omzendbrief. Hij kan ook geraadpleegd worden op het volgende internetadres : http://www.binnenland.vlaanderen.be. M. KEULEN, Vlaams minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering
Bijlage I : CONTROLELIJST VOOR DE GEMEENTEN Documenten die deel uitmaken van het budget 2008 : > beleidsnota > financiële nota (= begroting) > algemene gegevens betreffende de gemeente (tabel 1) > programma van de tijdens het dienstjaar uit te voeren investeringen (tabel 6) > Samenvatting van de leningen (tabel 7) > Tabel van de schuldevolutie (tabel 8) > Meerjarig financieel beleidsplan (2008 tot en met 2012) > Advies van de begrotingscommissie (art. 12 ARGC) > Ontwerp van milieujaarprogramma (art. 2.1.26 van het decreet van 5 april 1995 houdende bepalingen inzake het milieubeleid) (Belgisch Staatsblad, 3 juni 1995), samen met het advies van de gemeentelijke adviesraad voor milieu en natuur (enkel voor gemeenten die met het Vlaamse Gewest een overeenkomst hebben gesloten over het gemeentelijk milieu- en natuurbeleid) > Lijst van gemeentelijke vzw's die subsidies ontvangen van meer dan 2.500 euro > Gegevens betreffende de volgende ramingen : - ramingen personenbelasting en verkeersbelasting - ramingen inzake energiedividenden - ramingen inzake gemeentelijke ontvangsten Elia-heffing
Bijlage II : EVALUATIE BESTANDEN BEGROTINGSREKENINGEN De bestanden met betrekking tot de jaarrekeningen worden door het agentschap voor Binnenlands Bestuur nagekeken en eventueel verbeterd. De meest voorkomende fouten kunnen worden vermeden door de hieronder vermelde richtlijnen te volgen. Wij vragen met aandrang zo veel mogelijk met die richtlijnen rekening te houden. De softwarehuizen zijn hiervan op de hoogte. Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld INHOUDSTAFEL I. INSTRUCTIES VOOR DE MEERJARENPLANNING EN DE BUDGETTEN VAN DE GEMEENTEN A. ALGEMENE INSTRUCTIES 1. De strategische meerjarenplanning 2. Het budget 3. Bestuurlijk toezicht op de budgetten van de gemeenten B. BIJZONDERE INSTRUCTIES 1. De fondsen 2. Fiscaliteit 3. Dividenten 4. De uitgaven van de gewone dienst II. INSTRUCTIES VOOR DE MEERJARENPLANNEN EN DE BUDGETTEN VAN DE OPENBARE CENTRA VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN Meerjarenplan 1.1 Vorm 1.2 Inhoud 1.3 Procedure 2. HET BUDGET 2.1 Vorm 2.2 Inhoud 2.3 Procedure 3. Partnerschap 3.1 De budgetcommissie 3.2 De toevoeging van de OCMW-voorzitter aan het college van burgemeester en schepenen-het overlegcomité 4. Elektronische vorm van de jaarrekening van het OCMW III. GEMEENSCHAPPELIJKE INSTRUCTIES VOOR GEMEENTEN EN OCMW'S 1. Personeel 1.1 Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de rechtspositieregeling van het gemeentepersoneel 1.2 Ontwikkeling van de personeelsuitgaven 2. Pensioenen 3. De werkingskosten 4. Het Gemeentefonds 5. De schulduitgaven 6. Overgang naar de Single Euro Payments Area (SEPA) IV. SLOTOPMERKINGEN BijlageI : CONTROLELIJST VOOR DE GEMEENTEN BijlageII. EVALUATIE BESTANDEN BEGROTINGSREKENINGEN _______ Nota's (1) Art. 20 van het decreet van 22 december 2006 tot wijziging van de wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, van het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking, van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005 en van het Provinciedecreet van 9 december 2005. (2) Ik verwijs hiervoor naar de memorie van toelichting bij het gemeentedecreet en naar punt 4.7.1 van de omzendbrief ABB 2006/19 van 1 december 2006. De goedkeuring van de gemeenteraad kan in een eerste fase betrekking hebben op de inventarisatie van de bestaande (niet altijd uitgeschreven) procedures van interne controle en de evaluatie ervan in het kader van de bepalingen van het gemeentedecreet. Een controlesysteem is immers een dynamisch instrument dat vrij frequent aangepast moet worden, onder meer ingevolge externe wijzigingen. Het is evenwel niet de bedoeling dat de gemeentesecretaris elke wijziging in het interne controlesysteem onmiddellijk voorlegt aan de gemeenteraad, maar wel minstens eenmaal per jaar. (3) Enkel voor het eerste volledige boekjaar van de zesjaarlijkse periode waarvoor de gemeenteraad verkozen is, kan de gemeenteraad het budget vaststellen in de loop van het eerste kwartaal van dat boekjaar. (4) Art. 14 van het ARGC. (5) Art. 253, § 1, 2° van het Gemeentedecreet. (6) « Behalve in spoedeisende gevallen en behalve in geval van toepassing van artikel 7, § 1, wordt de oproeping ten minste acht dagen vóór de dag van de vergadering aan het raadslid bezorgd ». (7) Vandaag gaat het uitsluitend om Antwerpen en Gent. (8) Het Stedenfonds richt zich, naast de Vlaamse Gemeenschapscommissie, enkel op de grootsteden Antwerpen en Gent en op de regionale steden Aalst, Brugge, Genk, Hasselt, Kortrijk, Leuven, Mechelen, Oostende, Roeselare, Sint-Niklaas en Turnhout. (9) In 2004 heeft de rechtbank van eerste aanleg van Bergen een belastingaanslag inzake APB betreffende het dienstjaar 2001 van de gemeente Lessen vernietigd wegens retroactiviteit omdat de beslissing pas genomen was op 23 februari 2001. De rechter oordeelde dat de belastbare toestand betreffende het aanslagjaar 2001 reeds een einde genomen had op 31 december 2000. Dat is volgens hem de uiterste datum waarop de belastingschuld is ontstaan. Begin dit jaar werd dat vonnis in beroep bevestigd door het arrest van het hof van beroep van Bergen van 16 februari 2007. (10) artikel 10, § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 1996 zoals gewijzigd bij besluit van 30 juni 2006. (11) Artikel 15 van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juli 1997 tot uitvoering van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten zoals laatst gewijzigd bij besluit van 24 maart 2006. (12) Art. 270 van het gemeentedecreet treedt echter niet in werking als de voorzitter niet is toegevoegd aan het college van burgemeester en schepenen (art. 312 GD).
begin (#top) Publicatie : 2007-08-28
|
|
|